Een schaamteloze lacune

Het was in de St. Pieterskerk in Rome. We, een aantal toeristen, stonden te kijken naar de sierlijk rouwende, immens jonge Maria van Michelangelo met haar gestorven zoon in haar schoot. Zo'n beeld maakt in het echt, en in een kerk, meer indruk dan op een plaatje, het krijgt in die omgeving makkelijker toegang tot de beschouwer.

Het meisje van een jaar of vijfentwintig dat naast me stond te kijken sprak me aan: “It's beautiful”, zei ze op brutaalweg Amerikaanse wijze, “but what is it supposed to represent?” Een beetje onthutst noemde ik de namen van de personages en raffelde ook de kruisdood er zo'n beetje bij, omdat ze met alleen 'Jesus and Mary' niet zo veel leek te kunnen beginnen. Tevredengesteld wandelde ze weg, naar een ander onbegrijpelijk beeld of haar nietszeggend schilderij.

Het was grappig van onnozelheid, deze vraag, deze ijver om iets te willen bezoeken en bekijken zonder enig idee te hebben wat hier zoal de bedoeling is. Tegelijkertijd was het gênant stom. Wat reist iemand helemaal naar Rome als ze alleen maar bête naar het bordje 'pietà' kan kijken en van het hele lijdensverhaal nog nooit gehoord lijkt te hebben? Met een licht gevoel van triomf besloot ik dat dit 'typisch Amerikaans' was, dat cultuurloze, dat nergens van weten als het maar even gaat over iets dat langer dan twintig jaar geleden gebeurd is. In Europa zijn wij zo niet. Onze scholen zorgen voor een bredere opleiding dan alleen maar een beetje leren lezen en schrijven.

Het is al een aantal jaar geleden, dat mag misschien als excuus gelden voor mijn misplaatste trots. Die slaat helemaal op niets. Eerstejaarsstudenten Nederlands, zo las ik laatst in een artikel van Frits van Oostrom in het tijdschrift Literatuur, zijn ook in zulke Amerikaanse meisjes veranderd. Als ze aan het begin van hun studie op een tentamenformulier wat jaartallen, wat mythologische en bijbelse namen moeten invullen en enkele heel bekende verhalen moeten kunnen thuisbrengen (“Welke naam hoort bij: doop in de Jordaan; verraad in Getsemane; de haan kraait drie keer; ik was mijn handen in onschuld”) dan blijft menigeen het antwoord schuldig. Dat kunnen die studenten niet echt helpen; ze konden niet weten dat ze dit allemaal niet wisten als ze er nooit mee geconfronteerd waren. Hoewel je je niet kunt voorstellen dat iemand verschillende boekenlijsten voor verschillende talen heeft gelezen en nóóit op ook maar iets christelijks of mythologisch' gestuit is.

Erger is dat ze, zoals Van Oostrom in datzelfde stuk schreef, zich ook niet in het minst voor hun onwetendheid lijken te schamen, alsof ze zeker weten dat wat ze niet weten ook de moeite van het weten niet waard is. Dat, schrijft Van Oostrom, “verleent aan sommigen van hen waarschijnlijk ook de legitimering voor de schrijnende ongein waarmee zij op de vragen lollig bedoelde antwoorden menen te kunnen debiteren: waarbij het bijvoorbeeld O.J. Simpson wordt die zijn handen in onschuld wast, en boven onze bijbelvragen een compleet cd-rekje wordt leeggekieperd, van Madonna tot aan Genesis en vader Abraham ertussenin”.

En het allerergste is dat ze gewoon op school hebben gezeten en hun eindexamen hebben gehaald, maar dat nooit iemand op het idee is gekomen om ze iets van de Griekse mythologie of de bijbelse verhalen te vertellen. Van geschiedenis trouwens evenmin. Dat is om een of andere reden allemaal niet meer zo erg belangrijk.

Op het ogenblik wordt er nagedacht, althans dat hopen we, over de vraag of filosofie op middelbare scholen moet worden ingevoerd. Een stormachtig 'ja!' zou je zeggen, als vanzelf neemt filosofie immers wat geschiedenis mee, wat bijbelse geschiedenis ook en verder ideeëngeschiedenis waar ook iedereen plezier van kan hebben. Maar zo wordt er blijkbaar niet over gedacht. Ze moeten al zoveel leren op school. Hè, je gaat er als vanzelf mopperige oude-mensenpraat van uitslaan over 'vroeger' toen het 'beter' was - wat in het algemeen niet echt waar is, maar op sommige punten wel.

Gebrek aan kennis is vrij gemakkelijk te verhelpen, zolang iemand inziet dat er gebrek aan kennis heerst. Maar wie opgevoed wordt in de gedachte dat het volmaakt onbelangrijk is of je al dan niet weet wie de vrouw van Odysseus was, of Odysseus zelf, of Jezus, of Maria, of Erasmus of wie dan ook, die voelt niet direct een lacune die gevuld moet worden. Die haalt niets in, die geneert zich niet, die vraagt op zijn allerbest in de St. Pieter wie die lui zijn die daar in steen zijn afgebeeld.

Misschien was dat Amerikaanse meisje wel een voorbeeld van leergierigheid. Misschien had ze al die dingen dolgraag willen weten, maar had ze op een school gezeten die het verleden met alle daarbij horende kennis en cultuur voor haar verborgen had gehouden. Een proto-Nederlandse school.