Een parabel over onschuldige liefde

Peter H⊘eg: De vrouw en de aap. Uit het Deens vertaald door Gerard Cruys. Meulenhoff, 244 blz. ƒ 39,90

De nieuwe roman van de Deense schrijver Peter H⊘eg navertellen, is het boek tekort doen. Geen van H⊘egs eerdere boeken, zoals Smilla's gevoel voor sneeuw of Grensgevallen, is onder een noemer te vangen. Hij mengt genres door elkaar; Smilla's gevoel voor sneeuw is evenzeer een thriller als een filosofisch tractaat en net zo goed een klassieke negentiende-eeuwse roman met een exposé, verwikkeling en ontknoping, als een boek dat alleen aan het eind van deze eeuw geschreven kon worden. Want, beschut door de bedding van de klassieke roman, stelt H⊘eg hedendaagse onderwerpen aan de orde. Zoals de klemmende vraag naar identiteit, naar waarheid en onwaarheid, naar de zin van het tijdsverloop.

De vrouw en de aap heeft verliefdheid en de angst voor het voorbijgaan van verliefdheid tot onderwerp. Maar de verliefdheid van de mooie, aan alcohol verslaafde Madelene is een uiterst ongewone: haar prins, het object van haar dromen, is de mensaap Erasmus. Ze haalt hem aan, knuffelt hem, vrijt met de aap, en uiteindelijk is ze zelfs in verwachting van de mensaap. Aan het slot heeft Madelene de aap ook de taal geleerd; hij vraagt haar wat een 'engel' is, en zij antwoordt: 'Misschien is een engel voor één derde god, voor één derde dier en voor één derde mens.'

Voor realistische lezers wekt De vrouw en de aap mogelijk ontzetting. De seksualiteit tussen mens en dier roept nare associaties op. Daar zijn dieren niet voor, zou de tegenwerping kunnen luiden. De band tussen mens en dier moet edel zijn, en niet getuigen van misbruik. Misschien is het boek ook wel ontsproten aan een mannenfantasie: vrouw vrijt met aap. Daarom moet De vrouw en de aap niet op realistisch niveau gelezen worden, maar als metafoor voor een liefde die aan alle uiterlijkheden voorbij gaat. Daarom ook is het boek niet slechts een roman; het is meer een parabel over de onschuldige liefde.

Met deze roman herschept Peter H⊘eg het aloude bijbelverhaal van de ark van Noach. Aan het begin van het boek vaart een schip over de Theems en door een verkeerde manoeuvre, heftige wind en golfslag, spoelt de bemanning van boord. Er is de mensaap die het schip naar de wal stuurt, in de haven andere boten ramt en aan wal stapt. De vrouw van de directeur van de Londense dierentuin ontfermt zich over het dier, dat gevangen wordt. En uit die compassie groeit de verliefdheid.

H⊘eg is geen realist, hoewel hij uitstekend scènes kan beschrijven en dat loepzuiver doet. Maar zijn realisme ontstijgt telkens de werkelijke aanleiding en verandert ter plekke in een beeld, een metafoor. Een treffend voorbeeld hiervan is hoe H⊘eg een gedekte tafel beschrijft: 'De tafel leek een geboorte. Hij rook naar volle melk, hij was gedekt met opgeklopte slagroom, boter- en eiercrème, hij was voldragen, niemand kon zien dat hij gedurende de afgelopen acht uur zowel vermoord als herrezen was.'

Hier staat nogal wat in. Het motief van de melk wordt doorgezet naar geboorte ('hij was voldragen') en in een pennestreek voegt H⊘eg daar nog dood en verrijzenis aan toe. In zijn prachtige boek Smilla's gevoel voor sneeuw past hij hetzelfde procédé toe. De realiteit geeft aanleiding tot filosofische overweging, en vanuit die overweging keert hij terug tot de realiteit. Die pendelbeweging heeft iets fascinerends. We bevinden ons, lezers, zowel in de werkelijkheid van het boek als in een daarachter liggende wereld van beschouwing. We lezen een verhaal - bij Smilla's gevoel voor sneeuw over de ontdekking van een gruwelijk geheim - en tegelijk wordt ons een complexe gedachtenwereld geopenbaard.

Madelene Burden, hoofdpersoon van het boek, leeft aanvankelijk in staat van grote ontreddering. De slaap brengt haar geen rust, de liefde biedt haar genot noch vertroosting, de onrust knaagt aan haar hart. Ze voelt zich opgesloten in haar eigen lichaam, zoals dieren zich opgesloten voelen in een dierentuin. Rondom haar ogen, waar er toch al schaduw heerst, tekent zich haar leeftijd af. H⊘eg schrijft met liefdevolle aandacht over haar: 'De ouderdom en de moeheid zitten in de donkere gebieden van onze gezichten. Met een lichte schaduw die de rand van de wenkbrauw volgde, vergrootte zij haar ogen, alvorens ze voorzichtig met vloeibare eyeliner in een kader te plaatsen. Ze waren nu open, helder en onkritisch ontvankelijk.'

Voordat de werkelijke liefde tussen de vrouw en de aap opbloeit, maakt H⊘eg tal van vergelijkingen tussen mensen en dieren. Zo zegt ze over Madelene dat ze leeft in haar vertrouwde domein van slaap- en kleedkamer zoals een dier in zijn 'revier'. Op die manier smeedt hij geleidelijkaan de wereld van mensen en dieren samen. Toch maakt hij een wezenlijk onderscheidt: de mens doodt dieren voor zijn eigen levensonderhoud; het dier doodt geen mensen. H⊘eg's beschrijving van het aantal runderen en de hoeveelheid gevogelte dat dagelijks in een metropool als Londen in de menselijke maag verdwijnt, is huiveringwekkend. Temidden van die liefdeloosheid verschijnt dan de liefde tussen Erasmus de aap en Madelene de vrouw als iets zuivers en puurs.

Hoogtepunt van de roman is het hoofdstuk over de paradijselijke tuin waarin zij terechtkomen. In deze Hof van Eden bereiken zij de staat van gelukzaligheid, maar ook eten ze er, bij wijze van spreken, van de Boom der Kennis. Het boek neemt hier een tragische wending. En nu blijkt ook H⊘eg's bedoeling met deze roman. Madelene gaat zich vertwijfeld zaken afvragen, die een verliefd iemand zich beter niet kan afvragen. Ze beseft dat passie niet eeuwig kan duren, dat verliefdheid gedoemd is voorbij te gaan. Met pijn in het hart vraagt ze zich af welke richting hun liefde neemt: 'Wat gebeurt er met ons, waar leidt dit naar toe?'

Erasmus stelt zich deze vragen niet; hij leeft bij het moment. Toch groeit bij hem langzaam maar zeker een bewustzijn. Allereerst leert hij woorden, hij beseft wat een woord als 'kind' betekent of 'eiland'. Als Madelene aan hem vraagt hoe apen zichzelf noemen, dan antwoordt hij: 'Mensen.' En de mensen noemt hij 'dieren'.

De vrouw en de aap sluit aan bij H⊘eg's vorige roman Grensgevallen. In dat laatste boek voelt een groep Deense jongens zich bedreigd door de omgeving. Ook Madelene en Erasmus ondergaan die bedreiging. H⊘eg schrijft: 'Waarom kunnen twee mensen of en groep apen zich niet in het paradijs isoleren? Ze zagen dat deze vraag identiek was aan een grotere, een veel grotere vraag: waarom is alles niet zo gebleven als in het begin, waarom is de paradijselijke staat geen steady state? Het antwoord waartoe je komt is afhankelijk van de plek waar je het vraagt, en Madelene en Erasmus stelden de vraag vanuit een positie van vijfentwintig meter boven de grond in de Hof van Eden, op twee luchtbedden terwijl ze elkaars hand vasthielden, en het antwoord waartoe ze gelijktijdig kwamen, was dat de wereld begint te bewegen op grond van liefde.'

Maar de liefde is niet alleen een zegenende kracht, ze is ook een vernietigende. Want degeen die verliefd is, leeft in de voortdurende angst dat de ander ooit, op een keer, kan verdwijnen. Madelene komt met een schok tot het inzicht dat alles aan tijdsduur is onderworpen èn dat hun paradijselijke staat altijd door anderen bedreigd kan worden. Al is de muur om de weelderige tuin nog zo massief, daarmee is de buitenwereld niet verbannen. Waar licht heerst, moet noodzakelijkerwijs duisternis zijn.

Met De vrouw en de aap heeft Peter H⊘eg een wonderlijke roman geschreven. Zijn belangrijkste bron is de bijbel, meer in het bijzonder het scheppingsverhaal waarin Adam en Eva tot kennis komen en uit het paradijs worden verdreven. Het verlangen naar een schuldeloos, paradijselijk bestaan is aldoor in de mens aanwezig, is de strekking van dit boek. H⊘eg kiest niet voor niets voor de liefde tussen een aap en een vrouw, want in het bijbelverhaal staat immers dat vóór de zondeval mens en dier in harmonie samen leefden.

De engel die aan het slot geboren gaat worden, is god en mens en dier tegelijk. En hiermee zijn we precies bij de essentie van deze parabel aangekomen: de mens zou een engel willen zijn, en bestaan uit deze drie aspecten. Maar doordat de mens zich voortdurend afvraagt wie hij is, waar het met hem of haar heen moet, waartoe tijd en vergankelijkheid dienen, blijft hij slechts een mens. Die verlangt naar het paradijs, maar er nooit voorgoed zal wonen.

    • Kester Freriks