Een marathon lopen als Donald Duck

Zondag wordt de 21ste editie van de Amsterdam Marathon gelopen. De 42 kilometer doen veteraan Marti ten Kate altijd pijn. “Het is al mooi als je het lijden tot een half uur kunt beperken”.

ENSCHEDE, 1 NOV. Het lijkt wel of Marti ten Kate aan de start van alle wedstrijden in Nederland verschijnt. Overal duikt de kleine Tukker in beeld op. Toch heeft de 37-jarige atleet in een jaar nooit meer dan drie marathons gelopen. “Ik loop wel bijna alle halve marathons. Dat is wat de mensen zien. Al loop ik ergens achteraan, de camera pendelt altijd wel even naar me toe. Andere, talentvolle, jongens die voor me lopen, worden dan zo maar overgeslagen. Voor mij is dat prima, goed voor de sponsors.”

Hij valt met zijn karakteristieke loopstijl nu eenmaal op. Ten Kate maakt een vreemde slingerbeweging met zijn benen. “Ik zet mijn voeten iets naar buiten. Net als Donald Duck.” Hij zit er niet mee. “Het is mijn natuurlijke loop. Daar moet je niet aan gaan sleutelen. Zoiets werkt niet. Je kan niet twee uur lang geforceerd lopen.” Als het hard gaat, ziet het er best aardig uit. “Dan schuifel ik over de weg en trek mijn knieën niet al te hoog op.”

Amsterdam is pas zijn eerste marathon van dit jaar. Normaal loopt hij in juni in Enschede. Dat is thuis voor hem. “Ik woon op het driekilometerpunt van het traject.” Dit jaar moest hij in zijn eigen marathon verstek laten gaan omdat hij als manager van het olympisch steunpunt Twente nauw betrokken was bij de organisatie. “Het is het één of het ander”, stelt Ten Kate. “Volgend jaar is de vijftigste editie. Dan wil ik wel weer meelopen.”

Hij vindt het prachtig in eigen omgeving een marathon af te werken. Maar niet omdat er zoveel bekenden langs de kant staan. “Ik zie tijdens een race bijna niets om me heen. Ik herken af en toe stemmen, dat is alles. Het is ook nergens goed voor om te gaan kijken. Als ik alles en iedereen wil zien, moet ik een kwartier langzamer lopen.”

Hij liep in Enschede ooit de lekkerste marathon uit zijn carrière, in 1989 in een tijd van 2.10,57. “Dat ging zo geweldig, zo gemakkelijk”, herinnert Ten Kate zich. “Gerard Nijboer was de haas en de laatste zeventien kilometer liep ik alleen op kop. Ik kon zonder veel moeite mijn tempo handhaven. Héérlijk.” Hij slaat die prestatie hoger aan dan zijn beste persoonlijke tijd (2.10,09) in de Rotterdam-marathon van hetzelfde jaar. “Dat was een geregisseerde wedstrijd. Ik liep mee in een groepje.”

Ook als het niet soepel loopt, kan hij voldoening halen uit een marathon. “Minstens net zo veel”, zegt hij. Ten Kate houdt er niet van om op te geven. “Dat soort dingen ken ik niet.” Dus ook als hij kapot is en de geplande tijd niet meer kan halen, loopt hij de wedstrijd uit. “En dan ben ik heel trots. Nee, ik ben nooit helemaal van de wereld. Ik kan altijd nog wel 17 maal 17 uitrekenen.” Veel andere atleten geven vaak wel op. “Die zullen er echt niet slechter aan toe zijn dan ik”, zegt Ten Kate. “Maar ik heb makkelijk praten. Ik ben financieel niet afhankelijk van het lopen. Anderen stappen voor de 35 kilometer uit omdat ze dan sneller kunnen herstellen voor hun volgende marathon.”

Het lopen van een marathon doet eigenlijk altijd pijn, zegt Ten Kate. “Het is al mooi als je het lijden tot een half uur kunt beperken.”

Afgezien van de wedstrijden waarin hij als gangmaker fungeerde, liep Ten Kate slechts één marathon niet uit. Dat was in 1990 in Rotterdam. “Het werd toen plotseling warm weer.” Ten Kate haat 'warme marathons'. Zo ging hij door een hel tijdens het EK van 1990 in Split. “Dat was niet gezond meer, één grote puinhoop. Ik raakte zeven kilo kwijt.” Maar hij liep die marathon wel uit.

Veel grote kampioenschappen werden de laatste jaren in warme oorden gehouden. Die moest Ten Kate aan zich voorbij laten gaan. “Dat was jammer, maar niet onoverkomelijk.” Want hij liep altijd ook nog op andere disciplines dan de marathon. Zo was de negende plaats op de olympische 10.000 meter van 1988 in Seoul zelfs een van de beste prestaties uit zijn loopbaan. Tegenwoordig doet Ten Kate niet alleen heel verdienstelijk mee aan halve marathons, maar ook aan wedstrijden berglopen. Hij werd dit jaar 25ste bij het WK in Oostenrijk. “Voor iemand als Bert van Vlaanderen is het seizoen naar de kloten als hij in Amsterdam 2.18 loopt. Maar mijn jaar kan door een slechte marathon niet meer worden verpest.”

Tijden van 2.10 zijn tegenwoordig niet meer haalbaar voor de veteraan. In Amsterdam zou hij tevreden zijn met een tijd “ergens in de 2.14”. Met zo'n tijd zou de Tukker zeker tot de beste Nederlanders behoren. Ten Kate vindt dat triest. Er is geen volwaardige opvolging van hem en zijn generatiegenoten. “Vroeger liep een grote horde atleten zeker 2.18. Nu zijn er jongens met veel meer talent. Toch halen zij die tijd niet. René Gotlieb was goed in vorm, maar hij liep in Berlijn 2.24. Dat kan toch niet!”

Veel werd verwacht van, zoals Ten Kate ze noemt, De Drie Musketiers: Gotlieb, Gielen en Krotwaar. Zij presteerden echter weinig op de marathon. Ten Kate: “Misschien kunnen ze niet tegen de druk. Of misschien zijn het geen echte marathontalenten. Ze hebben aardige halve marathons gelopen, maar dat levert niet automatisch ook een goede hele marathon op.” Soms begrijpt de routinier de jongeren niet. “Ze kijken tijdens een race al na één kilometer op hun klok en verbinden daar meteen conclusies aan. Dat lijkt me overdreven. Mijn lichaam zegt wel of het goed gaat of niet. Ga toch lekker lopen, ongecompliceerd. Dan zie je wel waar je uitkomt.”

Dat is ook de benadering van de groep Ethiopiërs die in Nederland woont en loopt. “Ze zijn lekker spontaan, demarreren desnoods in een bocht. Kleren uit en starten maar. Niet dat oeverloze geleuter”, zegt Ten Kate. Sommige Nederlandse wegatleten storen zich aan de Ethiopiërs omdat ze de ereplaatsen en publiciteit inpikken. Ten Kate deelt die mening niet. “Ik zou het prima vinden als die jongens voor Nederland uitkomen bij internationale wedstrijden. Dan lopen ze in een oranje shirt. So what? De anderen moeten dan maar harder gaan lopen en niet zeuren.”

Marti ten Kate zelf zal zolang hij kan zich “het snot voor de ogen” blijven rennen. “Lopen is gewoon prachtig!”