Een cilinder vol zeegeruis; De overstelpende magie van het Panorama Mesdag

“Je zeilt er naar binnen om jezelf nietig te voelen worden op die duintop door onwaarschijnlijk uitgestrekte vergezichten, duizelig te worden van de deinende zwalk van de immense zee, de geur op te snuiven van de beschutte netten die zich vermengt met de teerlucht van de gebreeuwde vissersboten op het strand en de stank van rottende kokkels tussen de aangespoelde kwallen.” Jan Wolkers zingt de lof van het Panorama Mesdag.

In zijn in 1899 verschenen In de Duinen beschrijft Jac. P. Thijsse, die uit het zuid-oosten van ons land kwam, hoe hij als jongeman voor het eerst van zijn leven naar de kuststrook reisde om in Den Haag een examen af te leggen. Hij verheugt zich er al bij voorbaat op dat hij na het examen eindelijk de duinen zal betreden, die hij als twaalfjarige jongen bij een logeerpartij in Amsterdam buiten de Haarlemmerpoort vanaf de Spaarndammerdijk alleen heel in de verte heeft zien liggen als blauwgrijze wolkjes op de horizon. Als hij in het examenlokaal het onderwerp van het te maken opstel op een strook papier aangereikt krijgt door een bode schrijft hij: “Goede hemel! Erger kon 't niet!Een wandeling door onze Hollandsche duinen! En mijn eerste zou ik juist in den middag na het examen gaan doen. Verpletterd viel ik achterover tegen de leuning van mijn stoel.” Hij schijnt het er toch niet slecht afgebracht te hebben, want de examinatoren gaven hem zelfs een pluimpje voor die uit de lucht gegrepen wandeling. Wat niet zo verwonderlijk is want van onze belangrijkste natuurvorser in spe mag men toch zeker verwachten dat hij ieder landschap, gezien of ongezien, wel even uit zijn mouw kan schudden. Maar als hij na het examen zeewaarts gaat en in het echt een duin beklimt is het wel even anders. Als hij boven op het Scheveningse zeeduin staat is hij zo verbijsterd als een kind dat op de ochtend van zijn verjaardag alle diepverlangde cadeaus voor zich uitgespreid ziet. Hij schrijft: “Ik sloeg de armen omhoog en moest juichen en het uitschreeuwen, overstelpt van aandoening, maar kon geen geluid geven en mijn ogen werden vochtig; ik liet mij vallen, sloot ze en deed het hoofd rusten in de hand. Neen, zoo iets had ik mij niet voorgesteld; dat was te veel, te machtig om op eens te worden genoten; het benauwde mij, ik was bang weer op te zien, en weer die duizeling te voelen van het teveel op eens, weer overweldigd te worden door die voor mij gheel ongekende, nooit vermoede wereld, nòg eens op mij te voelen neerslaan, die plotselinge openbaarde schoonheid.”

Men zou kunnen veronderstellen dat als je, zoals ik, hotsend en schuddend vanuit de door mul zand getrokken kinderwagen, de blauwe zeedistels - toen nog in wolken tussen helm - aan je hebt zien voorbijtrekken en de groenglazen doorzichtigheid van de omslaande golven hebt waargenomen met een lodderoog terwijl het lauwe zog uit je moeders borst je rijkelijk bevloeide, je nooit meer die duizelingwekkende tuimelfrisse sensatie zou kunnen beleven zoals Thijsse die indertijd onderging als jongeman.

Niets is minder waar. Maar het waren niet de echte duinen en zee die me dronken maakten van de overstelpende magie van de oneindige ruimte. Het vond plaats in de Zeestraat in Den Haag, in een tot een machtige cilinder omgekruld schilderij van honderdveertien meter lengte en een hoogte van bijna vijftien meter. Het Panorama Mesdag. Met het linnen zou men wel meer dan honderd keer het spieraam van de Nachtwacht kunnen bespannen en bijna tweehonderd maal dat van De Hofdames van Velázquez. Hoe vaak De Kantkloster van Vermeer eruit zou gaan zal ik u besparen omdat ik dan Starings vergelijking tussen eikenschors en kaneel van stal zou moeten halen.

In de loop van 1943, in het midden van de oorlog, ging ik als zeventienjarige jongen, ongeveer zo oud als Thijsse was toen hij voor het eerst van zijn leven de Scheveningse duinen beklom, met mijn eerste meisje, een perzik van een donkerblondine, naar Den Haag om schildermaterialen te kopen en het Panorama Mesdag te bezoeken. Een oom van mij had gezegd dat ik daar als aankomend schilder beslist heen moest, omdat je er van de zee en de duinen kon genieten zonder te vernikkelen van de kou. Toen we er aankwamen was het uitgestorven. We waren de enige bezoekers. Door de oorlogstijd hadden de mensen kennelijk wel wat anders aan hun hoofd, hoewel je aan het echte strand niet meer mocht komen. Nadat we in de voorzalen de schilderijen van Mesdag en zijn vrouw Sientje hadden bekeken, voornamelijk zeeschappen en stillevens met in cadmiumoranje gedrenkte siermeloenen, gingen we schuchter de duistere trap op alsof we ons in een armelijk Parijs hotel, stelde ik me voor, aan de eerste liefde gingen wagen. Maar dat pakte wel wat exuberant hemelbestormender uit. Want toen we op het platform dat de duintop suggereerde kwamen, had ik mij beslist zoals Thijsse ter aarde gestort als de grond onder mijn voeten niet uit een splinterig plankier had bestaan maar uit week weelderig schelpenzand. Zo overweldigend was de uitbarsting van ruimte. Je kreeg het gevoel dat een stoere zeebries met dwingende kracht door je haren blies, vochtig van zeeschuim. Je werd er gewoon toe gedwongen om te denken dat de meeuwen die over het doek zeilden net rakelings met krijsende kreet over je hoofd gezwierd waren. Ondanks de bedompte stopverflucht die er hing heb ik het nooit meer zo zilt geroken. Je wist gewoon niet waar je kijken moest om alles gulzig in je op te slokken. Dat alles was een buit voor jonge ogen. En al viel ik dan niet ter aarde alsof ik door de bliksem van de oneindige ruimte getroffen was, ik was er niet minder geëmotioneerd om. Waarschijnlijk omdat ik een lieflijk klankbord bij me had waartegen ik de sensaties die ik onderging kon uitbrullen, mag je wel zeggen. Panorama en passie vloeiden ineen. Voor mijn al te wilde kussen en omhelzingen die door de duizelingwekkende ruimtebeleving op gang leken te worden gebracht, zocht ze schaterlachend de bescherming in de glazen cilinder die Mesdag indertijd gebruikt had om de contouren van het landschap in het juiste verloop weer te kunnen geven op het doek. Door het schetsmatige landschap in witte verf op het glas keek ze me spottend aan als de verschijning van een zeenimf in een aquarium.

Toen we uitgeput en moegekeken de trap afgingen, zag ik dat er beneden een deur op een kier stond. Ik duwde hem open en daar stonden we voor een woud van stammetjes die het plankier schraagden. In de duisternis leek het een decor voor een betoverd woud. Er doorheen zag je het doek schemeren dat met ruwe vegen beschilderd was omdat dat toch buiten het gezichtveld van de bezoekers viel. In dat geheime dichte namaakdennenbos omhelsde ik haar, deed haar rok omhoog en haar broekje omlaag en drukte het naakte stuk jongemeisjeslichaam tegen me aan. Ik voelde haar warmte door mijn kleren heen en haar billen schokten heen en weer in mijn begerige handen. Ik stond zo wild tegen haar aan te trillen en te rijen met die harde broek van me dat ik ineens het sperma in mijn onderbroek voelde spuiten. Duizelig liet ik haar los en wankelde heen en weer van stam naar stam terwijl ik onbeheerst brulde zoals ik boven gedaan had over de zee en de duinen. Ze had haar broekje weer omhooggetrokken toen ik bij haar terugkwam en ze liet snel haar bloemrijke jurk zakken. En ik wist niet of ze begreep wat er gebeurd was toen ze haar armen hebberig om me heen sloeg en met een blos hees fluisterde: 'Ik wist niet dat ik je daar zo gelukkig mee kon maken'.

Toen we weer buiten waren liep ik een beetje ongemakkelijk over het trottoir door het afkoelende vocht in mijn broek. Het was net of ik daarboven even naar de sprinkelfrisse zee gelopen was om pootje te baden en door een onverwachts, bijna ondeugend opspringend golfje, speels een kwakje zeewater in mijn kruis geworpen had gekregen.

Na die eerste keer heb ik in de loop der jaren het Panorama Mesdag tientallen malen bezocht. Toen ik vlak na de oorlog op de beeldhouwafdeling van de Haagse Academie van Beeldende Kunsten studeerde zelfs zo dikwijls dat ik er zeeziek van werd. Vaak at ik er tussen de middag mijn brood op met een medestudent, Daan van Dorp, die wij onder elkaar Daniel du Village noemden, omdat hij met zijn grote blonde gestalte niet alleen als twee druppels water op Charles Trenet leek, maar vooral omdat hij diens chansons net zo kon zingen als de meester zelf zodat, als we bezig waren het gipsafgietsel van de kop van Sint-Joris van Donatello of de romp van de Hermes van Praxiteles in klei te kopiëren, het sompige atelier leek te veranderen in een onbetwiste voorloper van de playback-show. Het zal dan ook geen verwondering wekken dat, toen ik hem er voor de eerste keer mee naartoe nam en zijn grote lijf maar net uit het trapgat de volle laag van de gevisualiseerde zeebries compleet met meeuwen en al over zich uitgestort kreeg, hij met zijn gezonde longen stralend uitbalkte: La mer / Les a bercés / Le long des golfes clairs / Et d'une chanson d'amour / La mer / A bercé mon coeur pour la vie.

We waren zo doorkneed in de kunst dat als we ergens in een bomenrijke tuin een rode zakdoek aan de lijn zagen hangen we gelijktijdig mompelden: 'Theophile de Bock', omdat we wisten dat die schilder, die van het Panorama Mesdag het duinlandschap voor zijn rekening had genomen, als hij in lommerrijke dreven zijn veldezel uitzette een rode doek ophing tussen het geboomte om de nunaces beter te kunnen waarnemen. Eindeloze discussies hadden we op die artificiële Scheveningse duintop wiens werk we schilderkunstig het beste vonden. Ik vond de cavalerie van G.H. Breitner, waar de damp en de stank van de paardenlijven vanaf leek te walmen, voortreffelijk geschilderd. Maar hij zei dat die hem te veel deed denken aan de tinnen soldaatjes uit zijn jeugd. En dan zei hij steevast dat hij de door zeewater geloogde klomp die als een van de eerste objets trouvés in de schilderkunst op het stuk namaakduin lag, het beste vond weergegeven. Maar eigenlijk vonden we het onzin om in zulke onnozele details te treden als je simpelweg een dagje aan zee doorbracht. Als je met je zeegeweekte kont tussen de badgasten in het mulle zand zat op te drogen ging je je ook niet afvragen wie of wat er wel het beste geschilderd was.

Ook al is het Panorama Mesdag zonder twijfel het mooist geschilderde panorama ter wereld waaraan, tegen de gewoonte in, belangrijke en bekwame schilders, en zelfs een genie als Breitner, hebben meegewerkt, toch is het niet slechts om die reden dat je de Zeestraat in Den Haag niet door kunt lopen zonder even een frisse neus te halen op de top van het duin. Je komt niet voor de schilderkunst van Breitner, Blommers, De Bock, Mesdag en zijn vrouw of voor de voortreffelijke architectuurschilder Adrien Nijberck. Je komt niet voor het piano- of vioolspel van een enkeling. Dan moet je maar naar het museum gaan of naar de Kleine Zaal. Je komt voor het hele orkest dat strak in de hand is gehouden door de Toscanini van het Panorama, Hendrik Willem Mesdag. Je zeilt er naar binnen om jezelf nietig te voelen worden op die duintop door onwaarschijnlijk uitgestrekte vergezichten, duizelig te worden van de deinende zwalk van de immense zee, de geur op te snuiven van de beschutte netten die zich vermengt met de teerlucht van de gebreeuwde vissersboten op het strand en de stank van rottende kokkels tussen de aangespoelde kwallen en de glinsterende zeesla langs de vloedlijn, om met wapperende haren te worden meegezogen met de vlucht van de meeuwen het gewolkte in, als een zwaluw tussen de oranje daken door te gieren van het vredige vissersdorp waar de prikkelende geur van gepekelde haring door de ramen naar buiten walmt, om mee te golven met de helmbepluimde duinen waar de biotoop van hagedis en rugstreeppad in begroeiing en zanderigheid in de penseelvoering is meegenomen.

Als het tot je doordringt dat de afstand van de beschouwer tot het doek slechts veertien meter bedraagt slaat het je bijkans met ongeloof en wordt je bewondering voor wat dat stel schilders aan toverkracht in hun verfdoordrenkte borstels had nog groter. Ik ken maar één schilder en vooral etser die zo'n geweldige ruimtesuggestie in zo sterke mate had, Hercules Seghers, van wie de tijdgenoten zeiden dat hij zwanger ging van hele provinciën. Het lijkt wel of ze penselen van veertien meter lengte hebben gebruikt, want als je in een werklift het doek op de hand kan bekijken zie je hoe kloek de verf is aangebracht. Het optisch bedrog, waar iedere waarneming door ons oog op berust, is adembenemend.

Wat ook bijzonder is aan het Panorama Mesdag, afgezien van het zilte ruisen dat door de voorstelling wordt opgewekt, is de dagelijkse stilte. Wat vissers zijn tussen de op het strand liggende boten met netten bezig, een schilderesje waagt, in de schaduw van een parasol een opzetje aan het zeegebeuren, de cavalerie laat in een kalm tempo de paarden hun spieren wat losmaken in het mulle zand, een koetsje rijdt langs een kade, vrouwen staan in een deuropening te praten, een hond houdt zich koest. It's visible silence, still as the hour-glass, om Dante Gabriel Rossetti eens aan het woord te laten. Zelfs geen Icarus komt uit het gewolkte om als een hagelsteen in mensengedaante die grote natte moeder te doorboren. Bij andere panorama's moet er altijd wat extreems gebeuren met veel kwelling des vlezes. Een bloederige veldslag bij Waterloo of bij Gettysburg of Borodino, een Kruisiging van Christus of de Intocht in Jeruzalem van dezelfde persoon. Niets van dat alles aan de Zeestraat. Geen houwdegens en dwepers, geen bloedbad in de zeereep. We houden het gewoon even rustig. En dat is ook een van de zegeningen, en niet de minste, die het Panorama Mesdag te bieden heeft. Een zee, een lieflijke branding zonder dat het uitzicht je benomen wordt door tienduizenden badgasten die hun stinkend scharrelvlees gedrenkt in zonnebrandolie aan je opdringen. En dat op loopafstand van het vroegere Schevingse duin dat door de dwaasheid der mensen verworden is tot het Sodom en Gomorra van de toeristenindustrie.

    • Jan Wolkers