Een briefje

Op de laatste dag van het jaar zat de regenworm onder de grond, onder het struikgewas, aan de rand van het bos.

Het vroor. Straks word ik nog de regenstok, dacht de regenworm bitter. Hij kon zich bijna niet meer verroeren.

Hij wou dat het warm was, dat het regende en dat hij weer eens om zich heen kon kijken.

Maar nee hoor, dacht hij.

Met zijn laatste krachten pakte hij een briefje en schreef:

Wordt het nog warm? Ik ben benieuwd! De regenworm Het was een klein zwartgallig briefje. Hij duwde het naar boven, door een barst in de bevroren grond heen.

De ijzige storm die door het bos blies greep het briefje en liet het hoog boven het bos rondwervelen.

Maar er stond niet op voor wie het briefje bestemd was en de storm scheurde het in stukken en smeet het terug naar het bos.

Eén stuk woei onder de deur van de eekhoorn door. De eekhoorn zat juist aan tafel, tegenover de mier.

“Een brief”, zei de mier.

De eekhoorn pakte de rafelige en verkreukelde brief, vouwde hem recht en las hem voor.

Ik ben benieuwd!

las hij. Meer stond er niet.

“Is dat alles?”, vroeg de mier.

“Ja”, zei de eekhoorn. Hij liet de mier de brief zien.

De mier las hem, langzaam en zorgvuldig. Toen hij hem uit had zei hij: “Het is een prachtige brief.”

De eekhoorn vroeg zich af of hij de brief ook prachtig vond, maar hij zei niets. Misschien moet ik hem nog een keer lezen, dacht hij.

Ze legden de brief midden op tafel.

Buiten loeide de storm, en het begon ook te sneeuwen.

“Ik ga maar niet naar huis”, zei de mier.

“Nee”, zei de eekhoorn. Hij haalde nog een grote pot beukennotenhoning uit zijn kast. Die aten ze samen op.

Toen de honing op was vroeg de mier of hij de brief een keer zou voorlezen.

“Dat is goed”, zei de eekhoorn.

De mier pakte de brief, hield hem omhoog, schraapte zijn keel en las:

Ik ben benieuwd!

Toen vond de eekhoorn het ook een prachtige brief.

    • Toon Tellegen