De vrijende buik van een kruik; Schenking van precolumbiaans aardewerk in Rotterdam tentoongesteld

Het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam ontving vorig jaar een unieke, anonieme schenking van duizend stukken precolumbiaans aardewerk en textiel. Het museum toont nu een overzicht van deze collectie. “Ziet u die gewatteerde koningsmantel daar? Zevenhonderd jaar geleden gemaakt door de Chimu, tegenspelers van de Inca's. Dit is het enige volledige exemplaar op de wereld.”

T/m 5/1/97 in het Museum voor Volkenkunde, Willemskade 25, Rotterdam. Geopend: di.t/m za. 10-17u, zo. 11-17u. Vouwblad.

Er is weer eens een tentoonstelling ingericht met potten en kruiken. En dat zijn typisch van die voorwerpen die veel kunstliefhebbers graag links laten liggen. Ze houden niet van vaatwerk. Het is 'maar' kunstnijverheid, dat toevallig om zijn datering, uniciteit of technische aspecten in een vitrine terecht is gekomen. Het is ook niet bewust als kunst gemaakt, niet gesigneerd, en eerder van socio-historisch of antropologisch belang dan van enige artistieke betekenis.

Dat is een grote vergissing, vinden de mensen die wèl van potten en kruiken houden. En in het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam krijgen die pottenkijkers dit keer volkomen gelijk. Want in een van de vitrines staat een stuk aardewerk opgesteld dat in vormgeving alle perken van de verwondering te buiten gaat. De kruik is niet groter dan een gangbare fluitketel. Hij is bijna drieduizend jaar geleden in het Andesgebied gemaakt, in Peru om precies te zijn - die 2.500 kilometer lange landstrook die tussen de Grote Oceaan en het hooggebergte gevangen ligt.

Volgens de toelichting stelt het ding een zoete aardappel, de 'camote' die toen en nu nog steeds vaak wordt gegeten. Maar wie niets in die aardappel als inspiratiebron ziet, staat het natuurlijk vrij deze pot te interpreteren als de Schepping van de Wereld of een prélude daarop. Even lijkt het net of deze grofstoffelijke tegenstelling tussen aardappel en schepping vanuit een dronken brein op een tekstbordje is neergepend. Niets daarvan is waar; de toelichting is kunsthistorisch verantwoord.

Om zoiets magistraals als de Schepping te verbeelden, moet een prehistorische ambachtsman in de Andes simpelweg aan mensenbenen hebben gedacht, en wel aan een kluwen van gestileerde mensenbenen, die als welvingen langs, onder en boven elkaar wegglijden. Dat ontstaan van de wereld, zo heeft hij misschien wel gefantaseerd, was natuurlijk een massaal, orgastisch festijn. Bliksems en bevingen vochten om de voorrang. De gehele aardkost draaide en kronkelde, zwol op en zeeg weer neer. En waarom zou men zo'n onmetelijke gebeurtenis niet terugbrengen naar de huis-en-tuin-en-keuken-proporties van het liefdesspel? Waarom kan de buik van zo'n kruik niet bestaan uit zich alsmaar herhalende dijenparen, die soepel over elkaar heen tuimelen?

Daarom staat nu in een museumvitrine een stuk vaatwerk opgesteld dat een ultieme vrijpartij wil zijn. Alle lome beenbewegingen die dat genot te zien geeft, lijken als 'filmstills' organisch en geraffineerd met elkaar verbonden. De kruik heeft zichzelf als gebruiksgoed in alle opzichten overstegen. Hij is een monument geworden, ongesigneerde kunstnijverheid, maar in zijn vormgeving even doordacht en conceptueel als men nu van een zogenaamde 'topkunstenaar', om met OCW-staatssecretaris Nuis te spreken, mag verwachten.

'De Schepping' is maar een van de bijna duizend stukken pre-columbiaans aardewerk en textiel die het Museum voor Volkenkunde vorig jaar van een anonieme Rotterdammer cadeau kreeg. Ze dateren uit het Peru van 2000 voor Christus tot het jaar 1532 van onze jaartelling. De verzamelaar begon kort na de oorlog aan te kopen en wist later een fameuze Zwitserse privé-collectie op de kop te tikken. Ter kennismaking met deze museale aanwinst zijn nu de mooiste stukken geselecteerd.

Dankzij een geografische opstelling van de vitrines kan de tentoonstellingsbezoeker zich even verbeelden vanaf de Oceanische kust zomaar het historische Peru in te wandelen. Via de kustculturen van de Moche (100 v. Chr.-650 na Chr.) en Nasca (200 v.Chr-600 na Chr.), nadert hij het hooggebergte, waar de militaire Huari-beschaving (400 tot 1100) kom- en kruiktypen voorschreef die in hun abstract-landschappelijke decoraties heel dicht bij het kubisme van Braque en Picasso staan.

“Ineens biedt dit museum nu een van de belangrijkste collecties op dit terrein in Europa”, vertelt Edward de Bock, Zuid-Amerika-kunsthistoricus en -archeoloog, en een van zeer weinige deskundigen in Nederland. “Van sommige typen aardewerk kwam je ergens op de wereld wel eens een exemplaar tegen. In deze schenking zat van zo'n zeldzaam type een compleet dozijn. En ziet u die gewatteerde koningsmantel daar? Die is samen met 140 stuks supertextiel ook zomaar cadeau gedaan. Zevenhonderd jaar geleden gemaakt door de Chimu, tegenspelers van de Inca's. Dit is het enige volledige exemplaar op de wereld! Dus, u begrijpt, aanleiding genoeg voor vernieuwend onderzoek.”

De Bock, samensteller van de tentoonstelling en gastconservator, decodeert de beeldtaal van de schriftloze, precolumbiaanse culturen. Een trapje symboliseert het land, de cirkel en de golf staan voor water, tekens die vaak op de tentoonstelling terugkeren. Uit een rij stipjes leidt men een rivier af en wie in de stapeling van drie vierkantjes geen poema herkent, moet nog veel leren. Komt men af en toe een hoofd met dikke oogranden en een geprononceerd gebit tegen, dan maakt men kennis met een beeltenis van de droogte, en, natuurlijk, met de grimas van de dood.

De poema speelde trouwens een goddelijke hoofdrol in de Andes, hij figureerde tussen de levenden en de doden, de onvoorspelbare voorouderwereld met zijn domein in de bergen, die te vriend moest worden gehouden. Als de regen viel, de aarde bruin werd, datzelfde bruin van de poema-huid, kwam het dier als boodschapper uit zijn berggrot naar het laagland toe, een teken dat de goden van de vruchtbaarheid hun werk begonnen waren.

De indianenstammen konden niet om die poema heen en op sommige potten en weefsels wordt hij, evenals de slang, dan ook vele tientallen keren vereerd, desnoods met wat trofeehoofden in zijn bek. Want, hoe mooi en vrolijk al dat aardewerk ook oogt - van wijnrood en Rembrandtesk diepbruin tot Van Gogh-geel en het bijna-ivoor van Morandi - er zijn onvoorstelbare aantallen bloedige mensenoffers gebracht om water en land, hemel en aarde, leven en dood keer op keer met elkaar te verzoenen.

Maïsbier

Alle pre-columbiaanse kommen, kruiken en potten waren rituele tempel- of grafgiften. Zelfs De Bock weet niet wat er ooit in heeft gezeten, misschien roodbruin maïsbier, maar waarschijnlijker is water, want zonder water geen leven, ook niet na de dood. Hoe rijker de dode was, hoe hoger de kwaliteit van zijn postume cadeaus. De arme indiaan moest zich in zijn graf soms met een potscherf tevreden stellen. En daarom vraag je je af wie die patserige dode van de Ica-beschaving (1100-1425) was, die ooit in gezelschap van een liggend en panfluit-spelend heerschap, gezegend met een aardewerken buik zo groot als een opgeblazen varkensblaas, in de woestijngrond ten ruste werd gelegd.

Zo kinderlijk-figuratief als de Vicus-cultuur (500 voor tot 200 na Chr.) rondborstige dametjes en rimpelige heertjes tot kruiken wist te modelleren, zo modernistisch is de stilering waarmee de Chavin (1500-500 v. Chr.), de oudste cultuur van Peru, en de Chimú (700-1475) in antraciet-grijs, bijna zwart aardewerk hun ontzag voor de dierenwereld tentoonspreidden. Daartoe leende zich bijvoorbeeld een kronkelige meerval, een spiraal met een tuit op zijn rug, maar ook een rivierkreeft, zo raak in zijn geharnaste en stekelige hebberigheid gekneed, dat hij het in zijn drie dimensies gemakkelijk kan opnemen tegen de onovertroffen inktschilderingen uit het oude China en Japan.

De pre-columbiaanse culturen van Peru laten zich niet zomaar chronologisch inperken. Ze hingen nauw met elkaar samen, overlapten elkaar en moesten zich vanaf de dertiende eeuw schikken onder het machtige bewind van de Inca's. Daarom vertoont ook het aardewerk in patronen, motieven en figuren veel overeenkomsten, die net zo vaak weer terugkeren in de eeuwenoude, nog steeds felgekleurde weefsels. Behalve een jakje en een mantel, waarop weer trapjes en poema's optreden, is er ook een oeroude tempeldoek te zien met 32 bijna identieke figuren die een genealogie van honderden voorouders voorstellen.

“Deze samenlevingen stonden volledig in het teken van een tweedeling”, vertelt De Bock, “van een hogere en lagere klasse. En die tegenstelling keert in alles, dus ook in de religie en daarmee in het aardewerk terug. Tegenstellingen als land en water, droog en nat, licht en donker, man en vrouw waren essentieel voor de voortgang van de levenscyclus, en dat thema is dan ook onuitputtelijk iconografisch uitgebeeld.”

Niets mag dan zonder betekenis zijn, het is toegestaan vrolijk te raken van een aardewerken heer die zich in een tempel-met-puntdak verstopt, een bouwseltje dat als een jas om hem heen zit. Het zou me niet verbazen als het net vanuit het eigentijdse atelier van de IJslandse kunstenaar Sigurdur Gudmundsson naar het museum is gebracht.

En dan is er ook nog een andere Peruviaanse grootmeester die zichzelf in een soort fluitketel heeft overtroffen. Hij reduceerde vier kalebassen tot bollende schijven om ze daarna onder een afdakje als jojo's op hun zijkant te laten balanceren. Mooie symbolen voor water en de vier windrichtingen waar het eeuwig door voortgedreven wordt.

    • Marianne Vermeijden