De Reverberator

Marc Scheepmaker, zo las ik in deze krant (25-10, 'Struisvogel onthoofd'), stelde voor de misdaad 'een beetje te legaliseren': om 'het misdadige wat uit de criminele sfeer te trekken'. Een heel goed en vruchtbaar idee, lijkt mij. Naar het schijnt dacht Scheepmaker aan 'gedoogzones' - ik stel mij daarbij straten of stadsdelen voor waar straffeloosheid heerst; eigenlijk zijn die er al.

Een beter idee lijkt mij om gedoogperiodes in het leven te roepen. Dit denkbeeld kwam bij mij op naar analogie van het jachtseizoen, dat kort geleden weer werd geopend: ook dat is goed beschouwd het tijdelijk gedogen van een misdaad, namelijk het doodschieten van dieren. De jagers zelf verbergen zich altijd achter allerlei eufemismen, zoals 'het elimineren van schadelijke exemplaren'; het is dan aanlokkelijk dezelfde imbeciele betoogtrant te gebruiken en te zeggen: als dat geoorloofd is met dieren, dan is het een voor de hand liggende logische stap om het uit te breiden tot mensen. Er zouden dan perioden of seizoenen in het leven kunnen worden geroepen waarin het 'afschieten' van bepaalde 'schadelijke individuen' wettelijk wordt toegestaan.

Een categorie die zich hierbij als vanzelf aandient, behalve natuurlijk de jagers zelf, is die der bouwvakkers, die omwonenden het leven ondragelijk maken met luide popmuziek. Ook de bestuurders van open auto's die zich aan dezelfde vorm van agressie schuldig maken en hun verdere geestverwanten komen in aanmerking.

Er zijn voor een dergelijke wetgeving verschillende formules denkbaar, bijvoorbeeld een tegen betaling verleende vergunning voor de duur van het seizoen; een andere benadering zou zijn dit jachtrecht eens per jaar gedurende één dag of week-end aan alle staatsburgers toe te kennen, op de manier van de markt op Koninginnedag.

Zelf ben ik nog het meest geporteerd voor de zogenaamde Zaanse methode, waarbij het afschieten van poplawaaimakers gewoon het hele jaar door geoorloofd is. Er zou zelfs een bonussysteem aan verbonden kunnen worden: een vast bedrag voor elk ingeleverd baseball-petje, zoals voor de staarten van bisamratten.

Aan de andere kant bestaat er ook een gematigde richting, van mensen die zich op het wat kunstmatige standpunt stellen dat zelfs liefhebbers van luide popmuziek in beginsel menselijke wezens zijn, die ook recht hebben op leven. Mij persoonlijk lijkt dit een op oppervlakkige gelijkenis gebaseerde, betreurenswaardige dwaling, een overdreven toepassing van verkeerd begrepen humanitaire beginselen - maar het is niet te loochenen dat zelfs het volgen van deze zogenaamde 'ethische' richtlijn vergeleken bij de huidige situatie al een grote verbetering zou zijn. Deze ethische richting wil zich beperken tot het hoogstens geselen, maar verder in leven laten van de popbarbaren, en het 'afschieten' (opblazen, verbranden, verdrinken, kapotslaan, in cement gieten) te beperken tot hun geluidsapparatuur. Dat zou dan vanzelfsprekend het hele jaar door geoorloofd zijn en zelfs onder kinderen worden verbreid door middel van een eenvoudige trainingscursus op de openbare scholen.

Maar nu: gesteld dat deze nieuwe wetgeving het om een of andere reden niet haalt, en alles blijft zoals het nu is, welke legale middelen van zelfverdediging zijn dan voor een fatsoenlijk mens beschikbaar om de Neanderthalers te dwingen zich koest te houden?

Ik heb daarvoor een inrichting bedacht, waarvoor ik patent zal aanvragen, 'De Reverberator' genaamd.

Het betreft hier een apparaat dat de klanken afkomstig van een hinderlijke geluidsinstallatie opvangt en via gerichte luidsprekers duizendvoudig versterkt weer teruggeeft. Het toestel is instelbaar op een drempelwaarde, zodanig dat het pas in werking treedt wanneer het volume van de hinderende installatie die waarde overschrijdt. Onder die waarde reageert het apparaat niet. Een potentiële lastpost wiens popmuziek een aanvaardbaar geluidsniveau niet overschrijdt wordt dus ongemoeid gelaten; maar niet zodra de geluidssterkte het niveau bereikt dat in die kringen met het woord 'knoerthard' wordt aangeduid, of de opgenomen geluiden worden met Jericho-volume geretourneerd naar waar zij vandaan kwamen, zodat daar de plafonds instorten en de veroorzaker als de bliksem zijn installatie zachter zet of uitschakelt om niet krankzinnig te worden.

Dit alles is uiteraard onmogelijk zonder er zelf ook enige last van te ondervinden, maar wie heeft dat er niet voor over? De eigen overlast kan trouwens zoveel mogelijk worden beperkt door het gebruik van dat bepaalde type sterk gerichte 'Reverberators', éénwegluidsprekers die het geluid als het ware geconcentreerd door een tunnel vooruit sturen, zoals een granaat met holle lading zich door pantserplaten boort en dan pas tot explosie komt, en achter zich niet hinderlijk hoorbaar zijn. Een extra raffinement kan er uit bestaan het geluid niet alleen versterkt maar ook vervormd terug te geven - snerpend, piepend, hikkend, raspend, gierend en eventueel ook echoënd, door middel van een magneetbandje zonder einde met opname- en weergavekoppen waarvan de onderlinge afstand instelbaar is, zodat het teruggegeven geluid kan worden gevarieerd van galm tot echo.

Het aardige van het 'Reverberator'-systeem is dat alleen degene die zelf overlast veroorzaakt er last van ondervindt. Houdt hij het volume van zijn eigen installatie binnen redelijke perken dan heeft hij niets te duchten. Het zijn vooral de mensen die hun installatie opzettelijk harder zetten wanneer gevraagd wordt of 't niet wat zachter kan, die gestraft worden met een apocalyptische, trommelvliesverscheurende versie van hun eigen stampmuziek.

    • Rudy Kousbroek