Byzantium wegspitten

Griekenland mag de oermoeder van de Westerse beschaving heten, in artistieke zin wordt zij door haar kroost bepaald stiefmoederlijk behandeld. Uitwisselingen met het Westen gaan niet zozeer over en weer als over en uit. Eigenlijk heeft het land alleen maar gegeven, zonder er ooit veel voor terug te krijgen.

De kostbaarste oudheden zijn zoals bekend in buitenlandse collecties terechtgekomen terwijl er in Griekenland zelf nauwelijks een goed voorbeeld van Westerse kunst te vinden is. In plaats van met werken van Claude Monet en Michelangelo en Vincent van Gogh, overstelpt het Westen Griekenland (voor meer geld dan we er thuis voor betalen) met de scheppingen van Louis Vuitton en Giorgio Armani en Freddy Heineken.

Op onvoorstelbaar eenzijdige wijze beheerst het Westen nog altijd het beeld van de Griekse cultuur. Op een paar uitzonderingen na reduceren wij de Griekse cultuur tot dat ene onderdeel waarin wij het meeste van onszelf terugvinden: de klassieke oudheid - in onze eigen inadequate, constant veranderende en ongetwijfeld wispelturige opvatting van deze lang vervlogen tijden. Deels is dit alleen een kwestie van aandacht en nadruk. Dat wij de klassieke kunst waardevoller vinden dan alles wat er aan vooraf ging of erop volgde is misschien bekrompen, maar het is geen misdaad. Daar blijft het echter niet bij. Westerse archeologen en hun Griekse discipelen zijn inmiddels anderhalve eeuw bezig om 'Griekenland' zo te reconstrueren dat het aan hun verwachtingen beantwoordt. Dit gaat gepaard met de fysieke destructie van veel wat niet in het beoogde beeld past. Om de Blue Guide te citeren: 'Het vernietigen van Turkse en Frankische bouwwerken begon (-) in 1833, niet zonder protesten overigens. Eén van de gouverneurs merkte al in 1835 op dat 'archeologen alle pittoreske toevoegingen uit de Middeleeuwen zouden vernietigen in hun ijver klassieke monumenten bloot te leggen en te restaureren', en dat was precies wat ze deden.'

Nog erger misschien dan het verlies van het cultuurgoed van de kruisvaarders en ottomanen is dat ook de voortbrengselen van de Byzantijnse cultuur niet veilig zijn voor de archeologen. Wat de Grieken zelf als een inheemse christelijke voortzetting van hun antieke cultuur beschouwen, is in de ogen van Westerse archeologen slechts een barbaarse barricade tussen hen en de nog op te graven stenen die hùn dromen over het verleden voeden. De verachting waarmee ze deze historische zuivering uitvoerden was nog volop voelbaar tijdens mijn eigen studietijd in de jaren zestig. Mijn hoogleraar archeologie John Young sprak met sadistische voldoening over het eerste stadium van een opgraving in Griekenland als: 'Digging through the Byz' - het wegspitten van duizend jaar Griekse geschiedenis.

Deze houding is beslist slechter geweest voor een wederzijds begrip tussen Griekenland en West-Europa dan Lord Elgin's annexatie van de beelden van het Parthenon, of de afwezigheid van een paar Rembrandts in Griekse musea. De klassieke oudheid en de grote meesterwerken van het Westen nemen veel minder plaats in in de harten van de tegenwoordige Grieken dan de kunst van Byzantium, die ze overal om zich heen zien en beleven. De Grieks-orthodoxe kerk waar zelfs de meest onkerkelijke Grieken nog altijd trouwen en zich laten begraven, is nog steeds een bolwerk van Byzantijnse symboliek en Byzantijnse kunstvormen. De kerk, met zijn ikonen, mozaïeken, fresco's en houtsnijwerk, is het belangrijkste middel voor een Griek om zich te onderscheiden van een Turk of een Westeuropeaan - en zich van hem onderscheiden wil hij, of wij dat sympathiek vinden of niet.

Byzantijnse kunst vormt ook de bron van een van de belangrijkste bewegingen in de hedendaagse Griekse schilderkunst. De voormalige ikonenschilder Kontoglou begon in de jaren twintig met het schilderen van taferelen uit het dagelijks leven in een techniek en een stijl die regelrecht afkomstig waren uit de religieuze kunst. Zijn leerling Tsarouchis leidde een hele generatie kunstenaars op in een herkenbare stijl van genreschildering, die iets gewijds heeft zonder plechtig of zwaarwichtig te zijn. Deze schilders zoeken de specifieke waardigheid van de tegenwoordige Griekse cultuur in haar band met de Byzantijnse traditie. Nu de belangstelling voor hun werk geleid heeft tot een explosie van luxe kunstboeken, is hun doorbraak in het Westen dichterbij gekomen. Dit zal des te makkelijker gaan omdat hun werk ontegenzeggelijke overeenkomsten vertoont met dat van Westerse verzamelaars-favorieten als Balthus, Morandi en Botero. Het is te voorspellen, maar daarom niet minder pijnlijk, dat hun werk in het Westen gezien zal worden als een provinciaal aftreksel van het modernisme - het classicisme van onze tijd. Dan zouden de Grieken voor de zoveelste maal aan het kortste eind trekken. Alweer zouden de waarde en de overlevingskansen van hun kunst bepaald worden door egocentrische projecties van Westerse kunstcritici.

    • Gary Schwartz