Bizar literair experiment

Louis Aragon: De kut van Irène. Uit het Frans vertaald door Mirjam de Veth. De Arbeiderspers. 92 blz. ƒ 19,90

Over de dichter Saint-Pol-Roux gaat het verhaal dat hij op elk moment van de dag kon slapen en dan op zijn deur een bord liet bevestigen met de tekst: 'De dichter werkt'. André Breton vermeldt het in zijn eerste Surrealistische Manifest (1924), en dat is geen wonder, gelet op het belang dat de surrealisten hechtten aan de droom. Hun 'surrealiteit' moest een versmelting worden van droom en werkelijkheid, die 'het wonderbaarlijke' weer terug zou brengen in het moderne 'onttoverde' universum. Hetzelfde motief laat zich vermoeden achter het krachtige begin van Le con d'Irène, de korte erotische roman die de surrealist Louis Aragon in 1928 - anoniem - publiceerde.

'Maak me niet wakker, godverdomme, maak me niet wakker kolerelijers, pas op of ik bijt 't is rood voor m'n ogen', luidt de eerste zin van De kut van Irène in de uitstekende vertaling van Mirjam de Veth. Toch was Breton allesbehalve enthousiast over Aragons activiteiten als romanschrijver. In surrealistische ogen gold de roman als een achterhaald genre. En nog erger: wie een roman schreef, gaf toe aan de verzoeking literatuur te maken. Een groter vergrijp dan 'la volonté de roman' was nauwelijks mogelijk. Niet 'literatuur' of 'kunst' zou het surrealisme zijn, maar 'een middel tot de totale bevrijding van de geest'.

Met hoeveel dogmatische gestrengheid dit doel werd nagestreefd, mocht Aragon aan den lijve ondervinden. Van Breton kreeg hij de wind van voren, toen een episode uit zijn grote roman La défense de l'infini in een niet-surrealistisch tijdschrift verscheen. Aragon boog voor het vonnis van de leider, zoals hij later zou buigen voor de discipline van de Franse Communistische Partij. In 1927 verbrandde hij in Spanje, op de parketvloer van een Madrileense hotelkamer, de 1500 bladzijden van zijn manuscript. Pas zeven jaar later, toen hij het surrealisme definitief had ingeruild voor het communisme, trad hij opnieuw met een roman naar buiten.

Le con d'Irène behoort tot de weinige delen van het manuscript die aan het Spaanse auto da fé ontkwamen; het gaat dus om een fragment van een groter geheel. Van een 'spook-roman', zoals Aragon later zou schrijven, 'met evenveel verschillende ingangen als personages', die had moeten uitmonden in een 'immense orgie' in een 'immens bordeel', ten gunste van 'de nederlaag van iedere moraal'. Achteraf lijkt het vreemd dat Breton, de eeuwige rebel, tegen zo'n intentie bezwaar zou hebben gemaakt. Maar misschien had ook het onverhuld erotische karakter van Aragons proza aanstoot gegeven, zij 't niet zozeer de inhoud als wel de vorm.

Opvallend is het contrast met de bijna klinische wijze waarop de surrealisten in hun befaamde 'Enquête sur la sexualité' (in 1928 gepubliceerd in La Révolution Surréaliste) over de seksualiteit spreken. Hoewel hun vrijmoedigheid - zeker voor die tijd - groot is, ontbreekt elk spoor van verbale obsceniteit. Op de vraag naar de herkenbaarheid van het vrouwelijk genot, antwoordt Breton bijvoorbeeld met een kuise verwijzing naar 'de lokale toestand waarin de man haar heeft achtergelaten'.

Hoe anders klinkt Aragon, als hij het lichaamsdeel uit de provocerende titel van zijn roman beschrijft: 'Zo klein en toch zo groot! Hier voel je je thuis, man, eindelijk je naam waardig, hier vind je een aanlegplaats voor je begeerten. Aarzel niet je gezicht ernaartoe te brengen, je tong, die zich graag roert, popelt al, kom naar deze zalige beschaduwde plek, deze hof van de hartstocht in zijn parelmoeren omheining, een mooi beeld van pessimisme'. Om deze lyrische passage een paar bladzijden verder te besluiten met de aansporing: 'Hel, laat je verdoemden zich afrukken, Irène is klaargekomen'.

Bij literaire pornografie is het een klassieke smoes om de nadruk niet te leggen op de gewekte opwinding, maar op de taalkundige kwaliteit van de tekst. In dit geval kan amper van een smoes worden gesproken, vanwege de geringe frequentie van werkelijk opwindende passages. Eerder dan een pornografisch slippertje van een serieus auteur, is Le con d'Irène een bizar literair experiment, een van de meest wonderlijke en aantrekkelijke prozageschriften die het surrealisme heeft voortgebracht.

'Ik (...) kan niet denken zonder te schrijven, ik bedoel dat schrijven voor mij een manier van denken is', laat Aragon zijn verteller ergens bekennen. Wanneer hij zich, op de vlucht voor een onmogelijke liefde, in de provincie heeft teruggetrokken, ontstaat daar onder zijn pen het beeld van Irène, 'in de schelp van een ingewikkelde volzin'. Het zijn de woorden die de wellustige voorstelling van deze boerse femme fatale oproepen, terwijl de verteller zijn jaloezie op de degenen voor wie de erotiek 'een manier van uiten is' niet verbergt. Was hij maar een 'maniak' - maar dat is hij niet; hem rest daarom niets anders dan 'die vermoeiende, stompzinnige lustbegoochelingen om te toveren tot de voedingsbodem van een of ander experiment'.

Dat laatste is hem volledig gelukt. De boerderij van Irène's moeder neemt in zijn verhitte verbeelding de vorm aan van een grimmige rurale lusthof, waar een door syfilis verlamde en sprakeloos geworden grootvader zich heimelijk vergaapt aan de erotische escapades van de vrouwelijke bewoners. Het is een mooi grotesk beeld voor de onmacht van de verteller, die er ondanks al het geschrijf niet in slaagt de herinnering aan zijn Parijse geliefde te verdringen.

Uit Aragons biografie van Pierre Daix weten we dat in de tekst allerlei autobiografische elementen zijn verwerkt. Aragon schreef - tussen 1923 en 1927 - onder meer in de provincie aan zijn grote roman en ook hij worstelde op afstand met een geliefde die hem had afgewezen. Zonder al te veel moeite zijn de overeenkomsten met het leven van de auteur terug te vinden. Maar verstandiger is het om te luisteren naar wat Aragon hierover later zelf heeft opgemerkt: 'Ik zeg U, als er een sleutel is, dan is dat er niet een van de personages. (...) Van onszelf is de roman de sleutel'.

Op deze manier sluit het geredde fragment alsnog aan bij de 'revolutie' van de surrealisten, die immers vooral uit het - onbewuste - innerlijk moest voortspruiten. Jammer dat Breton en de zijnen dit destijds niet hebben ingezien, anders hadden we nu wellicht van het hele manuscript van La défense de l'infini kunnen kennisnemen.

    • Arnold Heumakers