Bij Leonardo

Nog een tentoonstelling: in het American Museum of Natural History. Het is niet een gebeurtenis om de oceaan voor over te steken maar zeer aan te bevelen voor wie er toch tussen nu en 1 januari 1997 in de buurt moet zijn. Daar (97ste straat bij Central Park) is op de derde verdieping de Codex Leicester te zien, een van de collecties losse vellen met het handschrift en de tekeningen van Leonardo da Vinci over allerlei natuurkundige verschijnselen; in dit geval met de meeste aandacht voor de wonderen van het water.

Omdat althans ik het gevoel heb dat de natuur zoals ik die ken nog wel even zal blijven en omdat we voor de exotische fenomenen de Hortus, Artis en Blijdorp hebben, kom ik er meestal niet toe, zo'n museum binnen te lopen. Dat is verkeerd gezien. Om te beginnen is het goed dat deze tentoonstelling op de derde verdieping is, in een gebouw, zo groot dat je de weg moet vragen. 'Waar is Leonardo?' vroeg ik een suppoost. 'U komt eerst bij de grote zoogdieren; aan het einde slaat u rechtsaf, dan loopt u langs de reptielen en aan het einde neemt u de lift.' Deze hele aangewezen weg ligt in het schemerdonker. Links en rechts zijn grote glazen ruimten, diorama's waarin bizons, beren, tijgers, neushoorns, wat heb je verder, in hun natuurstaat zijn opgezet. Het is adembenemend, zo'n grizzlybeer die je op zijn achterste poten tegemoet loopt - om een voorbeeld te noemen. Het bouwen van diorama's is een verwaarloosde vorm van kunst. We hebben de virtual reality waarmee langzamerhand wonderen van illusie tot stand kunnen worden gebracht. Maar of zo'n voorstelling het tenslotte kan opnemen tegen een schemerige gang in een museum waar je aan de hand van je vader en moeder voor het eerst de grote zoogdieren in drie dimensies ziet, wel opgezet maar toch alsof ze leven? De kinderen van de virtual reality zullen andere herinneringen hebben dan die van de diorama's.

De Codex Leicester, is zo genoemd omdat de eerste Earl van Leicester en vervolgens zijn familie dit manuscript twee eeuwen in bezit hebben gehad. Hoe de Earl eraan is gekomen wordt nergens vermeld. De vellen zijn tentoongesteld in vitrines die één maal per kwartier een halve minuut worden verlicht omdat langer niet goed voor inkt en papier is. Terloops vraag je je af hoe lang ze het dan, met deze rantsoenering na vier tot vijf eeuwen zonder elektrisch licht, zullen uithouden, maar dat is meer een zorg voor het nageslacht. Wij verbruiken ook al door onze behoefte om goed te willen kijken.

Op de finesse van het gebodene ga ik niet in. Maar wat bij een tentoonstelling van Leonardo's werk niet kan ontbreken is hier goed verzorgd: het werkende model, gebouwd volgens de aanwijzingen die het manuscript geeft. Ouders en kinderen verdringen zich om zelf ook aan de kraantjes te draaien, de waterstraal te laten lopen om zich ervan te overtuigen dat 'waterkracht' regelrecht verbonden is met de hoogte waarvan het water valt. De modellen stellen het publiek in staat tot een hoger soort knoeien; een van de leerzaamste werkjes die we een kind kunnen laten doen. Het is jammer dat de Codex Leicester geen ontwerp voor oorlogstuig bevat. Voor de modellen van katapulten en strijdwagens moeten we in Amboise zijn, het kasteel van Leonardo's beschermer Charles d'Amboise. Ook inspirerend voor wie zelf aan de slag wil.

Het mooist is, zoals telkens weer, de aanblik van het manuscript zelf, de dichtbeschreven vellen met de zorgvuldige, tegelijkertijd moeiteloze tekeningen, het totaal dat bestaat uit de enorme verzameling van invallen, uitwerkingen daarvan die dan toch weer werden onderbroken omdat zich opnieuw een denkbeeld aandiende. Het meeste van het oeuvre dat onder het hoofdstuk techniek en natuurlijke historie valt, is onvoltooid gebleven. Daarom is ook deze tentoonstelling weer 'werk in uitvoering': na vijf eeuwen nog het vers gebleven bewijs dat Leonardo fysiek zijn eigen brein niet aankon, dat zijn handen zijn hersens niet konden bijhouden. Hij is 67 jaar geworden. Over zijn jeugd is vrijwel niets bekend. De overlevering wil dat hij als jongen hagedissen, spinnen en insecten ving en die als de levende have voor zijn eigen dierentuin installeerde. Wanneer zou dat geweest zijn? In 1460 bijvoorbeeld, toen hij 8 was? Niets behalve je eigen jeugd voedt de verbeeldingskracht, en dus kun je je er naar believen alles bij voorstellen. Het zal waar zijn dat hij vroeg begonnen is. En dan nog: hoe krijgt een sterveling in een halve eeuw zo'n oeuvre bij elkaar? Hoe groter het genie, hoe meer haast (maar niet: hoe meer haast, hoe groter het genie).

    • H.J.A. Hofland