Bengaalse naaisters gaan naar school door overeenkomst met ILO en Unicef

DHAKA, 1 NOV. Op 13-jarige leeftijd is Rina Begum al een geroutinieerd naaister, die tien uur per dag kleding stikte om Amerikaanse discount-ketens van goedkope kleding te voorzien. Dit voor een maandelijkse beloning van 16 dollar.

Nu gaat zij voor het eerst van haar leven naar school, dankzij een overeenkomst tussen de International Labour Organization (ILO), Unicef en de Bengaalse kledingbranche, om kinderarbeid voor 31 oktober af te schaffen. “Ik wilde altijd al naar school, maar twee jaar geleden moest ik van mijn ouders gaan werken om geld te verdienen”, zo vertelt Rina in haar klaslokaal in een tinnen schuurtje in een arme wijk van Dhaka. Zij volgt daar samen met een dozijn andere jeugdige ex-arbeiders lessen.

Onder dreiging van een internationale boycot van hun produkten heeft de bond van kledingfabrikanten besloten het akkoord te tekenen. Hiermee wordt de kinderarbeid in de grootste exportmarkt van Bangladesh, de kledingindustrie afgeschaft.

Bangladesh verdient jaarlijks 2,4 miljard dollar aan de export van kleding, 66 procent van de totale export. Bijna de helft van die inkomsten komt uit de Verenigde Staten.

Tweederde van de door de ILO gecontroleerde kledingateliers heeft geen kinderen onder de veertien jaar in dienst, zo meldde de organisatie in haar laatste rapport. De overige fabrikanten hebben toegezegd de kinderen in november naar school te laten gaan, wanneer alle faciliteiten daarvoor gereed zijn. Kinderen mogen niet ontslagen worden zolang zij niet op een school terecht kunnen , zo is vastgelegd in de overeenkomst.

“Nu de deadline is verstreken zullen er geen kinderen meer worden aangenomen in de kledingfabrieken”, zo zei Uzayer Afzal, woordvoerder van de Verenigde Kledingfabrikanten en Exporteurs van Bangladesh.

Nadat het akkoord was getekend bezocht een gezamenlijke missie van de twee organisaties van de Verenigde Naties diverse fabriekjes en trof daar 10.000 werkende kinderen aan, voornamelijk meisjes van onder de veertien jaar.

Gisteren, bij het verstrijken van de deadline, bleek dat van die 10.000 kinderen er 4000 staan ingeschreven bij een van de 180 scholen in Bangladesh. 3000 van hen zijn in de tussenliggende tijd veertien geworden en mogen dus blijven werken.

Rina Begum verdiende met haar werk in het kledingatelier 16 dollar per maand, niet eens zo weinig, gezien het feit dat het gemiddelde loon voor een volwassen fabrieksarbeider uitkomt op 23 dollar per maand. Op de scholen, gerund door vrijwilligers, krijgen de kinderen 7 dollar per maand om het verlies aan inkomsten te compenseren. Sommigen, zoals Rina, vullen dat inkomen nog aan door na school te werken. Maar het verlies aan inkomen benadeelt veel families.

Het programma voorzag ook in bankleningen voor families om zelf een klein bedrijfje op te zetten, maar dit plan is gesneuveld door de bureaucratie, zo zei een ILO-medewerker die anoniem wenst te blijven. De families vrezen dat de eigenaren van de fabrieken de kinderen na hun, minimale, educatie niet meer opnieuw in dienst nemen, zoals is afgesproken.

“Sommige kinderen waren bang om thuis te vertellen dat hun inkomen aanzienlijk zou dalen”, aldus een Unicef-rapport. Zo'n tien procent van de voormalige naaisters zijn weer van school gegaan en verkopen nu pennen, kranten of doen huishoudelijk werk, zo meldt het rapport. (AP)