Zo zeker als een weerbericht

De beurs stijgt of de beurs daalt. De factoren die deze bewegingen veroorzaken zijn talrijk. Wat zijn de belangrijkste, en wat kan de kleine belegger ermee?

KOPEN, VERKOPEN of houden. Voor de aandelenbelegger valt de wereld uiteen in deze drie overzichtelijke delen. Wat zijn de kanshebbers op de beurs, waar moet je sowieso in zitten en welke fondsen kunnen beter worden gemeden? Het antwoord op die vraag is even complex als het antwoord wat voor weer het over een week is: net als bij de weermachinerie is er op de beurs en de daar genoteerde fondsen een groot aantal factoren dat hierop inwerkt. En vrijwel alle invloeden hebben ook weer interactie.

Om in het groot te beginnen: hebzucht en angst, de twee drijfveren van de belegger, hebben hun adjudanten in de wereld van de beursanalyse. Daar heten zij economische groei en inflatie.

Economische groei geeft een indicatie hoe de winst van de beursgenoteerde bedrijven zich zal ontwikkelen. In een gunstig economisch milieu floreert het bedrijfsleven, en dat is goed voor de ontwikkeling van de winst per aandeel. De fase waarin de economie verkeert, geeft aan welke aandelen favoriet zijn. 'Cyclische' fondsen als DSM (chemie) of Hoogovens (staal en aluminium) zijn zeer gevoelig voor de economische conjunctuur, en de koers van de bijbehorende aandelen loopt vooruit op de lotgevallen van de economie.

Er zijn ook fondsen die veel minder gevoelig zijn. Nutricia (gespecialiseerde voeding) verkoopt zijn produkten toch wel, ongeacht de toestand waarin de economie verkeert. Dat geldt ook voor gespecialiseerde uitgevers als Reed Elsevier of Wolters Kluwer. In tijden van grote economische voorspoed zullen hun aandelen misschien achterblijven bij de cyclische uitschieters, maar als de tijden onzeker zijn, worden ze door veel beleggers beschouwd als een veilige vluchthaven.

Economische groei, de vertegenwoordiger van hebzucht op de beurs, heeft ook zijn Angstgegner - inflatie. Aandelen zijn voor grote fondsbeheerders, zoals beleggings- en pensioenfondsen, maar een van de alternatieven om in te beleggen. Een hoge inflatie, of de angst daarvoor, jaagt de koersen van langlopende leningen (obligaties) omlaag. De rente van die leningen kan dan, in verhouding tot de koers van die leningen, flink oplopen. Ook op de markt voor zeer kortlopend kapitaal (geld) schroeven centrale banken hun rentetarieven omhoog. Door geld duurder te maken zorgen zij ervoor dat de hoeveelheid geld in omloop minder snel groeit en proberen zij zo de ontwaarding van dat geld, de inflatie, tegen te gaan. Niet dat geldontwaarding per definitie slecht is voor bedrijven; in grote delen van de wereld draait het bedrijfsleven prima bij hoge inflatiecijfers.

Een hogere rente voor zowel langlopende obligaties als voor kortlopend geld heeft twee effecten op de aandelenkoersen. Enerzijds maakt een hogere rente het beleggen in obligaties of het aanhouden van kasgeld aantrekkelijker dan het beleggen in aandelen: de aandelenkoersen zullen dalen totdat de balans tussen de aandelen- en de rentemarkten is hersteld. Dat was de oorzaak van de aandelenkrach in oktober 1987. Anderzijds maken bedrijven hogere kosten, in de vorm van financieringslasten, als de rente hoger wordt. En dat drukt de winst. Bovendien komt het herhaaldelijk voor dat een centrale bank het er voor over heeft om de economie met een hoge rente in een recessie te doen belanden als die maatregel nodig wordt geacht om de inflatie te beteugelen. Vooral financiële fondsen op de beurs, zoals de banken en de verzekeraars, zijn zeer gevoelig voor het rentemilieu waarin zij opereren.

De verhouding tussen economische groei en inflatie tekent de soms schizofrene houding van de aandelenmarkten: de economie moet zo hard mogelijk groeien, maar vooral niet tè hard. Daarom klonk op Wall Street in augustus een zucht van verlichting toen de Amerikaanse werkloosheid opliep. Een te krappe arbeidsmarkt kan tenslotte een voorbode zijn van hogere lonen, en die kunnen weer leiden tot oplopende inflatie.

Dat het sentiment op Wall Street in Amsterdam zo belangrijk is, illustreert de grote samenhang die verschillende internationale beurzen vertonen. De kleintjes, zoals Amsterdam, zijn een speelbal van de groten, met Wall Street voorop. De handel op de Amerikaanse beurs en die in Amsterdam overlappen elkaar elke dag tussen half vier en half vijf. Als Wall Street gunstig opent, maakt het Damrak in dat uur soms het gehele verlies van een dag goed. Is de stemming in New York slecht, dan dalen de koersen in Amsterdam. En 's ochtends geeft het slot van Wall Street van de vorige avond maar al te vaak aan hoe de AEX-index zal openen.

Een verklaring is dat belangrijke Nederlandse fondsen, zoals Koninklijke Olie en Unilever, ook in New York worden verhandeld. Maar vaak zijn het op de achtergrond de obligatiemarkten die de dienst uitmaken: van tijd tot tijd gaan die aan weerskanten van de Atlantische Oceaan in harmonie op en neer, en beïnvloeden ieder voor zich hun plaatselijke aandelenmarkt.

In de internationale verhouding tussen de financiële markten spelen valutakoersen een voorname bijrol. Voor Nederlandse aandelen is de dollarkoers enorm belangrijk. Investeringen van veel beursfondsen (Ahold, Koninklijke Olie, Unilever, ABN Amro) in de Verenigde Staten en in landen waarvan de valutakoers sterk met de dollar samenhangt (Latijns Amerika en grote delen van Azië) zijn omvangrijk, en dus ook de omrekening van de winst die zij daar behalen in guldens. Dat geldt ook voor de opbrengst van export naar die gebieden. Er zijn langdurige perioden dat de grafiek van het Dow-Jonesgemiddelde, via dollar-gulden omgerekend in guldens, het tweelingbroertje is van de grafiek van de Nederlandse AEX-index.

En dan zijn er nog de grondstoffenmarkten, waarvan de oliemarkt voor de Nederlandse beurs het belangrijkst is. Het effect daarvan is diffuus. Duurdere olie is goed voor de winst van Shell maar kan slecht zijn voor bijvoorbeeld KLM, die kampt met duurdere kerosine voor de vliegtuigen.

Wat heeft, kortom, een beetje aandelenhandelaar op de computerterminal staan? De aandelenkoersen zelf, uiteraard, maar ook de valutakoersen (dollar-Duitse mark en dollar-yen), de rente op kortlopende leningen (driemaands geld) en op langlopende obligaties en de verhouding tussen die twee, de belangrijkste andere aandelenbeurzen en voor de rest al het nieuws dat voor de koersen van belang kan zijn: bijvoorbeeld het monetaire beleid van de centrale banken in Duitsland en de Verenigde Staten en macro-economische gegevens die een clou kunnen geven over de verhouding groei/inflatie.

Bepaald soort nieuws heeft in het recente verleden geleid tot geconditioneerde reflexen op de aandelenbeurs: onrust in Rusland is slecht voor de Duitse banksector, die op zijn beurt de Nederlandse bankaandelen in de malaise kan meetrekken. Het al dan niet slagen van de Europese muntunie is op dit moment cruciaal voor de ontwikkeling van de rentes in Europa en dus is elke ruzie, of elke stap vooruit, van betekenis.

Wat kan de kleine aandelenbelegger met deze wirwar van factoren en invloeden? Weinig. Niet alleen kampt hij met een structurele achterstand in informatie, maar ook met een achterstand in interpretatie. Of het jongste cijfer over de industriële produktie in de VS gunstig wordt onthaald of niet, is een kwestie van marktsentiment, en dat is zelfs voor de meeste professionals al giswerk. Beter is het om de deining van de gehele aandelenbeurs te laten voor wat zij is, en zich te concentreren op de prestaties van individuele fondsen ten opzichte van het beursgemiddelde. Ook analisten gaan daar in hun adviezen toe over. Kopen, verkopen of houden zijn al ouderwetse adviezen. Steeds vaker gaat het in het beursjargon om het aanwijzen van beursfondsen als outperformer of underperformer ten opzichte van de rest.