Valencia; stad voor dames; De poëzie van de stoffen- winkel

In de Valenciaanse etalages wedijveren brokaat, batist, damast, taf, satijn en andere zijden stoffen in glans en kleurigheid. Dat heeft te maken met de geschiedenis en met de jaarlijkse feesten en processies van de stad. 'Valencia is altijd een rijke stad geweest met een mediterrane traditie van licht en kleur.'

Na een week in Valencia viel het me plotseling in: van alle steden waar ik ooit geweest ben, is Valencia het meest een damesstad. Niet dat er voor mannen niets te beleven is, of dat het geen mensenstad zou zijn. Met 750.000 inwoners is Valencia na Madrid en Barcelona de derde stad van Spanje. Er zijn cafés en restaurants in overvloed en er is zo'n uitbundig nachtleven, dat de naam van een Valenciaanse bar - Vivir Sin Dormir, Leven Zonder Slapen - volgens een toeristengids het motto van de stad zou kunnen zijn. Er is een imposant nieuw museum voor moderne kunst en er zijn prachtige, in kloosters en paleizen gevestigde oude musea, zoals het Keramiekmuseum, het Museum van de Patriarchen of het Museo de Bellas Artes waar schilderijen van de grote Spaanse meesters hangen, van El Greco, Goya, Velazquez, Ribera en ook van Hieronymus Bosch.

De binnenstad staat vol oude monumenten en rijen huizen getooid met de frivole gevels van de Valenciaanse barok. Er is een vijftiende-eeuwse kathedraal waarin je kunt verdwalen en waar in een van de spookachtige zijzaaltjes een grote kelk te zien is, gemaakt van goud, agaat en edelstenen. Het zou de enige echte Heilige Graal zijn, de drinkbeker van Christus bij het Laatste Avondmaal. (Een vreemd idee, dat Christus uit zo'n dure beker dronk).

Om de binnenstad, waarin de grote pleinen omringd zijn door een netwerk van geheimzinnige steegjes, lopen de statige, negentiende-eeuwse Gran Via's met palmen en bankjes tussen de twee rijstroken. Verder van het centrum, een paar kilometer oostelijker, ligt de haven van Valencia en ten noorden daarvan een uitgestrekt strand, de Playa de Levante, vanwaar je in de verte de appartemententorens van Sagunto en andere Spaanse badplaatsen ziet oprijzen. De wandelboulevard langs het Valenciaanse strand wordt nog niet door hoogbouw ontsierd en wie hier langs de ouderwetse terrasjes en hotelletjes kuiert, waant zich in de jaren dertig.

Op de boulevard beseft de bezoeker van Valencia ineens wat hij mist: toeristen. De stad mag dan aan de Middellandse Zee liggen, tussen Barcelona en Alicante, tussen badplaatsen als Benidorm en Benicasim, aan Valencia is het massatoerisme voorbij gegaan. Middenin de stad ziet men in het weekeinde wel trosjes bruinverbrande dagjesmensen uit naburige badplaatsen met hun camera's om de kathedraal sjokken, of langs de kramen van de zondagsmarkt op het Plaza de la Reina, maar daar houdt het dan ook mee op. Het moet door de wat geïsoleerde ligging komen, want al is tijdens de Burgeroorlog veel Valenciaans stedeschoon vernield, het is nog altijd een mooie en sfeervolle stad. Een stad die bovendien steeds mooier wordt: de gebouwen die nog niet zijn opgeknapt, staan of gaan nog in de steigers en het is duidelijk dat in de strijd tegen het verval de restauratie aan de winnende hand is.

Maar dit alles, de sfeer, de schoonheid en geheimzinnigheid van Valencia, maken het nog niet tot een typische damesstad. Het is ook niet de overdaad aan sieradenwinkels, met hun honderdduizenden parelkettingen, waardoor Valencia een lustoord voor vrouwen is. Het is iets wat in bijna alle Europese steden in de laatste decennia verdwenen is en wat met zo'n lelijk woord wordt aangeduid: textiel. Valencia is één groot textielmuseum. In talloze etalages wedijveren rollen brocaat, batist, damast, taf, satijn en andere zijden stoffen in glans en kleurigheid. Er zijn tientallen passementerieën, fournituren- en knopenwinkels. In elke straat is wel een handschoenenzaakje of waaierwinkel en er is een textielmarkt vol geborduurd beddegoed en ajour bewerkte tafellakens.

In Lissabon zag ik een paar jaar geleden hoe de ene na de andere ouderwetse stoffenzaak opheffingsuitverkoop hield om plaats te maken voor Emporio Armani of Gianni Versace. Waar de stoffenzaken verdwijnen, zijn ook de fourniturenwinkels met hun bandjes, ruches, kantjes, linten en corsages, en de naaimachine- en knopenwinkels gedoemd tot opheffing. In alle steden is het confectionaliseringsproces geheel of nagenoeg voltooid, maar Valencia is aan de textiele gelijkschakeling ontsnapt. Natuurlijk ontbreken Armani en Versace ook hier niet, er zijn genoeg kledingwinkels, maar in de oude hoofdstraten van de stad voert niet de confectie de boventoon. Hier heerst nog de poëzie van de stoffenwinkel, de 'manufacturenzaak', zoals het vroeger zo raadselachtig heette. Hier kan men nog vrouwen in gedachten verzonken voor een etalage zien staan, minuten lang starend naar een baal stof of een fraai gedrapeerde lap die onder de naaimachine nog alle vormen kan aannnemen, van theemuts tot beddesprei of avondjurk. Hier is het aan de lange toonbanken van de fourniturenwinkels nog een enorm gedrang om de kantjes, koordjes en corsages. Ze liggen in zo'n eindeloze variatie uitgestald, dat het de kijker al gauw duizelt. Alleen al in kraaltjes- en gittenband zijn honderden soorten verkrijgbaar.

Dat glinsterende gittenband kan men bijvoorbeeld gebruiken voor de garnering van de stretch handschoenen die in de handschoenenwinkeltjes in alle kleuren voor zeven gulden te koop zijn. Net als de fourniturenzaken zijn de handschoenenwinkels een bezienswaardigheid. Leren tuin- en glacé avondhandschoenen, kerk- en bruidshandschoenen, in de propvolle etalages liggen alle mogelijke soorten te kijk.

De grootste attractie van het Valenciaanse textiel is de zijde. De overdaad aan zijde die hier te vinden is, heeft te maken met de geschiedenis van de stad, met de Valenciaanse klederdracht en met de jaarlijkse feesten en processies. Dankzij de Moorse overheersing kwam de zijde-industrie in Spanje vroeger op gang dan in Italië en Frankrijk. De Arabieren brachten de zijdeteelt al in de negende eeuw naar Andalusië in Zuid-Spanje. In Valencia bloeide de zijde-industrie van de veertiende tot de tweede helft van de negentiende eeuw, toen overal in Europa een dodelijke ziekte uitbrak onder de zijderupsen, de pebrine of vlekziekte. De zijdecrisis die hiervan het gevolg was, trof ook de Valenciaanse industrie, maar die is nooit helemaal verdwenen. Naast vijftien textielfabrieken telt de stad nog altijd vier zijdeweverijen.

Aan de bloeitijd van de zijde-industrie herinnert nog de Lonja, een vijftiende-eeuwse gotische zijdebeurs, waar de boeren uit de omtrek hun kluwens zijdedraad kwamen verhandelen. Ook is er nog het zestiende eeuwse Colegio del Arte Mayor de la Seda, het gildehuis van de zijdewevers dat vorig jaar als museum werd opengesteld. Antieke zijde-stalen, kostuums, documenten, prenten en schilderijen geven hier een beeld van de zijdeproductie in vroeger eeuwen. Er zijn ook allerhande attributen te zien die te pas kwamen aan de teelt van de zijderupsen, het afhaspelen van de cocons, het twijnen (ineendraaien) van de draden, het spinnen van het cocon-afval en uiteindelijk het weven. Ook voor wie niet in zijde is geïnteresseerd, is het Colegio een bezoek waard: wie hier rondloopt door de hoge trapportalen, gangen en zalen waarvan de wanden bespannen zijn met donkerrood damast, voelt zich verdwaald in een duister en mysterieus schilderij van Francisco de Zurbarán.

Tot ver in de negentiende eeuw werd het met bloemmotieven doorweven Valenciaanse brocaat, dat bekend was om de gedurfde kleurcombinaties, naar heel Europa geëxporteerd. Nu is er alleen in Frankrijk nog vraag naar deze stof en de productie is dan ook voornamelijk gericht op Valencia zelf. Het kostbare brokaat wordt niet - zoals in Frankrijk - gebruikt voor gordijnen of meubelbekleding, maar voor de traditionele Valenciaanse kostuums die nog bij allerlei gelegenheden worden gedragen. Op bruiloften en partijen, bij de Corpus Christi-processie op 9 juni - wanneer eeuwenoude praalwagens met bijbelse figuren door de straten trekken, bij de Processie van de Heilige Maagd van de Verlatenen en bij de lentefeesten, de zogeheten Fiesta de las Fallas, die een week lang duren en met grote vuurwerken eindigen op de dag van Sint Jozef, 19 maart.

In de Fallasweek staan overal in de stad reusachtige, karikaturale poppen opgesteld van beschilderd hout en vodden. Er zijn feestelijke optochten en op het Plaza de la Virgen wordt een groot Mariabeeld geheel in bloemen gehuld. Alleen in de Fallas-week en bij de processies is Valencia een toeristenstad.

Het Valenciaanse kostuum is geïnspireerd op de burgerdracht uit de achttiende en negentiende eeuw. De jurk, met rimpelrok en strak lijfje, is van brokaat. Daaroverheen wordt een doorzichtige, ragfijnen, met gouddraad versierde schort gedragen. De bolle mouwen zijn afgezet met stroken kant, de benen gaan gehuld in wit-zijden kousen en mousseline onderrokken zorgen dat de rok wijd uitstaat. Om de hals worden vrachten parels gedragen en op het achterhoofd steekt een ronde, goudkleurige kam hoog boven het kapsel uit. Het mannenkostuum bestaat uit een brokaten vest, een wit hemd, witte zijden kniekousen en een wijde kniebroek. Bijna alle Valencianen hebben wel een paar exemplaren van deze klederdracht in hun kast hangen.

De meeste zijdewinkels van Valencia zijn te vinden in het centrum. Een van de mooiste is de winkel van Francisco Lorano aan de Calle de las Mantas, een steegje achter de Lonja. In de etalage is naast golvende lappen zijdebrokaat een vrouwenkostuum opgesteld, compleet met parels, haarkam, broches en zelfs met bijpassende zijden pumps. Volgens Lorano is de traditie van de Valenciaanse klederdracht niet alleen door de jaarlijkse feesten levend gebleven, maar ook door de kostuum-competities, waar elk jaar duizenden vrouwen aan deelnemen. In zijn winkel prijken overal foto's van vrouwen in bekroonde jurken.

Lorano vertelt dat één enkele, met gouddraad doorweven schort al gauw zo'n zeshonderd gulden kost. Net als de andere zijdehandelaars heeft hij de stoffen in zijn winkel niet per meter maar per jurk geprijsd. Voor één jurk is tien à twaalf meter zijde nodig. Als de klant voor seda natural kiest - handgeweven brocaat met bloempatronen - moet er minstens tienduizend gulden voor worden neergeteld. Maar dat zijn uitzonderingen, zegt Lorano. “De meeste vrouwen hebben wel twee of drie Valenciaanse jurken, maar dan van een mindere, machinaal geweven zijdesoort. Die jurken kosten ongeveer duizend gulden. En dan is er nog de iets goedkopere kunstzijde, rayon, die zevenhonderd gulden per jurk kost.” Aan de hand van twee rollen stof, allebei in Valencia geweven,laat hij het verschil zien tussen zijde en rayon: over de rayon ligt een hellere glans, de stof ontbeert duidelijk de zachte schijn van zijde.

Lorano is niet bang dat de klederdracht-traditie in Valencia teloor zal gaan: “Valencia is altijd een rijke stad geweest met een mediterrane traditie van licht en kleur. De Valencianen zijn trots op hun dracht en jonge meisjes staan te popelen om net als hun moeder zo'n jurk te hebben.”

Na een tocht langs de veelkleurige zijdewinkels van Valencia is de markt met overwegend witte 'huishoudtextiel' op de Plaza Redonda een verademing voor het oog. De Plaza Redonda is een rond pleintje waarop de houten kramen in een cirkel staan opgesteld, met in de huizen daar omheen een wijdere cirkel van kleine winkels. De markt ziet er uit als een middeleeuws plaatje en bij de koopwaar lijkt de tijd eveneens te hebben stilgestaan: jasschorten en schorten met ruches en strookjes langs de armsgaten, ton sur ton geborduurde lakens en slopen en kanten beddespreien. In al zijn kraakheldere witheid is het katoen en linnengoed in Valencia even romantisch als de kleurrijke zijde.

Net als in de fournituren- en stoffenwinkels in de stad zijn het ook op dit pleintje bijna uitsluitend vrouwen die dralen bij de kramen en eindeloos aarzelen bij een stapeltje servetten of een nietig reepje ribbelband.

Stoffen-, zijde- en fourniturenwinkels zijn overal in de binnenstad van Valencia te vinden, o.a. in de steegjes tussen de Plaza del Mercado en de Plaza de la Reina, aan de Calle San Vicente Martir, Calle Morátin, Calle de las Mantas, Plaza del Ayuntamiento en Calle les Garrigues.

Antieke zijde: bij de antiquairs in de Calle las Arellanas.

Handschoenenwinkels o.a. aan het Plaza de la Reina en Calle San Vicente Martir.

De textielmarkt op het Plaza Redonda: door de week elke ochtend tot 13 u. (Op zondagochtend wordt hier een rommelmarkt gehouden).

De oude zijdebeurs (Lonja) aan het Plaza del Mercado (tegenover de overdekte markt) is geopend di tm vrij 9-13.30 en 17-18.45 u.

Het Colegio del Arte Mayor de la Seda, Calle Hospital 7, is alleen te bezichtigen op woe 18-20 u, na telefonische afspraak: 3511951.

Museo de Bellas Artes, Calle S. Pio V: di tm za 10-14 en 16-18 u, zo. 10-14 u.

VIAM (Museum voor moderne kunst): di tm zo 11-20 u.

Museo del Patriarca, Calle Nave 1: ma tm zo 11-13.30 u.

Informatie over overige musea: toeristenbureau, Calle de la Paz 48: ma tm vrij 9-14 u en 17-19 u. Tel. 3212585.