't Steunpunt Marokko helpt bij de kinderbijslag

Minister Dijkstal bezocht de afgelopen dagen Marokko om te praten over remigratie. De gang naar het moederland kent onverwachte problemen.

BERKHANE, 31 OKT. Fatima heeft haar man vanochtend de berg afgejaagd. Zij is zijn lamlendige gedrag meer dan zat. Eerst laat hij haar met vier kinderen achter in Marokko en huwt in Nederland een tweede vrouw. Dan maakt hij samen met deze Hollandse vrouw jarenlang háár kinderbijslag op. Nu, terug bij haar, voert hij niets uit op hun stukje landbouwgrond.

De tweede kwestie, de verdwenen kinderbijslag, moet maar eerst worden geregeld. Fatima en Mohammed zijn vanochtend vanuit hun dorpje naar Berkhane getrokken. In dit provinciestadje in het noordoosten van Marokko ligt het bureau van de Stichting Steunpunt Remigratie, een door de Nederlandse kerken gefinancierde organisatie die uit Nederland teruggekeerde Marokkanen helpt.

Scheldend verschijnt Mohammed in het kantoortje - in dit land treedt Fatima niet in het openbaar - “Wij hebben onze rechten, maar we krijgen ze niet. Ik ben in 1955 naar Nederland gekomen, werkte voor zestig gulden per week voor jullie. En nu? Vrouw kapot, kinderen kapot, ik kapot. Jullie hebben ons gebruikt.”

Mohammed heeft in de jaren met zijn Nederlandse vrouw kinderbijslag nooit aangevraagd, nu, twaalf jaar na zijn vertrek uit Nederland, heeft hij geen enkele kans op de uitkering. Toch eist Fatima haar deel. Zij wil het geld van haar vier kinderen over de periode 1981-1984, maar de terugwerkende kracht van de wet reikt niet zo ver. In het kantoortje besluit de Nederlander Yoep Beliën nog een keer een brief te schrijven naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB), een uitkeringsinstantie in Nederland. “Dan wordt meneer ook weer rustig”, mompelt hij. Dagelijks helpt Beliën een tiental Marokkanen die uit Nederland zijn teruggekeerd. Soms sust hij een huwelijkscrisis, zoals bij Fatima en Mohammed. Meestal poogt hij hun praktische problemen op te lossen, bijna altijd uitkeringskwesties. Een arbeidsongeschikte moest worden herkeurd; een vrouw heeft recht op een weduwe-uitkering na de dood van haar man; een man komt in aanmerking voor aanvullend pensioen van de fabriek NV Schokbeton te Zwijndrecht.

Een man in een ouderwets grijs pak komt het kantoor binnen. Sinds december heeft hij geen kinderbijslag meer ontvangen voor zijn tien kinderen. Beliën belt de ambassade maar weer eens.

Veel remigranten hebben ook moeite met de plechtstatige taal waarin het GAK, SVB of andere Nederlandse instanties schrijven. Zij vragen Beliën de brieven uit te leggen. “Uw AOW is vastgesteld op 983 gulden per maand. Gefeliciteerd, dat is een verdubbeling”, zegt hij tegen een oudere Marokkaan. Het goede nieuws dringt nauwelijks tot hem door.

Pagina 2: 'Op hun knieën gaan ze naar de autoriteiten'

Twee jaar woont Beliën nu in het plaatsje Berkhane in de uitlopers van het Rifgebergte. In dit uitgestrekte gebied tussen de stad Taza in het westen en de stad Oujda aan de Algerijnse grens hebben de Nederlandse werkgevers in de jaren zestig hun buitenlandse arbeidskrachten geworven. Hier keerden de voormalige gastarbeiders ook naar terug. In hun geboortestreek hebben ze aanzien, genieten ze van het klimaat, praten ze over hun Nederlandse ervaringen en zijn ze relatief rijk.

Er zijn ook problemen. Voor hun families zijn de remigranten (en vooral de wao'ers of aow'ers) een bron van buitenlandse valuta. Ooms, tantes, achterneven, aangetrouwde nichten; iedereen vraagt om geld. Dan raakt een uitkering al snel op. Daarnaast blijken vooral vrouwen hun in Nederland achtergebleven kinderen en kleinkinderen te missen.

Als de kinderen remigreren, kunnen ze vaak niet aarden. Twee Marokkaanse tieners moesten met hun vader mee naar hun geboortestad Oujda. De vader is gelukkig, zijn zonen niet. Nu beseft de vader dat zijn kinderen daar niet meer thuis horen. Met de hulp van een voormalige lerares van de twee jongens zoekt hij pleegouders in Nederland.

De Marokkaanse gemeenschap in Nederland telt ongeveer 250.000 mensen. Niemand weet hoeveel van hen jaarlijks remigreren naar Marokko. Vorig jaar behandelde Beliën ongeveer elfhonderd aanvragen voor hulp. In datzelfde jaar vroegen ruim 5.500 mensen hun remigratie, wao of aow-uitkering van de Nederlandse overheid (totaal bijna honderd miljoen gulden). Maar velen keren op eigen gelegenheid terug en zijn niet geregistreerd.

“De Marokkaanse overheid doet niets voor deze mensen”, zegt Beliën. “Zij zorgt alleen voor zichzelf. De Marokkanen gaan op hun knieën naar de autoriteiten en zeggen dan: 'Wilt u alstublieft iets voor ons doen?'. Zo gaat het hier.” Veel remigranten hebben die autoriteiten wel nodig, bijvoorbeeld voor gezondheid. Het grootste deel van de voormalige gastarbeiders (2385 mensen) zitten immers met een wao-uitkering: stoflongen in de mijn of verbrijzelde vingers in de bouw. De vrees voor de gebrekkige Marokkaanse gezondheidszorg weerhoudt arbeidsongeschikte Marokkanen in Nederland er vaak van terug te keren naar hun moederland.

De Marokkaanse autoriteiten wijzen kritiek echter van de hand. “Wij hebben er altijd voor gezorgd dat de remigranten goed worden behandeld en hebben bijgedragen aan hun welzijn”, zei een hoge functionaris van het ministerie van Binnenlandse Zaken tijdens het bezoek van minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) aan Marokko. Dijkstal bezocht de afgelopen dagen Marokko om onder andere over remigratie te spreken.

De bewindsman bracht gisteren een bliksembezoek aan Oujda en Berkhane “uit respect voor alle Marokkanen in Nederland die uit dit gebied komen”. De gouverneur van het gebied is trots: “U bent de eerste buitenlandse minister die deze streek bezoekt”. Het bezoek heeft veel activiteiten in het slaperige stadje gegenereerd. De straten zijn geveegd, de plantsoenen gewied, de straten gesierd met vlaggen en portretten van koning Hassan de Tweede.

Toen maandagochtend bleek dat de minister ook het kantoortje van Yoep Beliën zou bezoeken, verscheen er ogenblikkelijk een groep werklui in de straat. Zij verfden de muren stralend wit. Een bulldozer maakte de grond glad. De leerlingen van de tegenover gelegen school kregen de dag van het bezoek vrij 'uit veiligheidsoverwegingen''.

In Marokko steekt Dijkstal ook de hand in eigen boezem. Aan Nederlandse zijde zit de ambtelijke bureaucratie soms in de weg erkent hij. De afgiften van visa voor Nederland bijvoorbeeld. De remigrant die zijn afgestudeerde kleinkind wilde bezoeken, moet eerst twaalfhonderd kilometer naar Rabat reizen. Daar staat hij in een eindeloze rij voor het Nederlandse kantoor, met het risico dat hij zijn visum niet krijgt omdat hij een of ander formulier is vergeten.

Dat moet anders, meent Dijkstal. De minister wil de procedure voor geremigreerde Marokkanen versoepelen, mits dat geen problemen met de andere Europese landen oplevert. Ook neemt hij de suggestie een consulaat te openen in het noordoosten van Marokko 'mee naar Nederland'.

Mohammed gaat niet meer terug naar Nederland. Zijn tweede vrouw en kind in het Zuid-Hollandse dorp Hazerswoude willen hem niet meer zien. Bovendien laat Fatima hem niet gaan. Jarenlang is ze Mohammed kwijt geweest aan een andere vrouw, nu is zij aan de beurt. Mohammed moet aan het werk, voedselgewassen verbouwen. Hij denkt er zelf anders over. Gevaarlijk zwaaiend met het gele boekje van de SVB hangt hij over het bureau. “Ik wil mijn rechten”, schreeuwt hij tegen Beliën.

Die wordt boos. “Ik ben Allah niet. U moet niet alle heil uit Nederland verwachten. U heeft toch een stukje grond, waarom gaat u niet zelf verbouwen? Dit is een prachtig land, u moet ophouden uw eigen land zo te wantrouwen”. Mohammed druipt af, maar Fatima lacht Beliën zeer vriendelijk toe. Zij heeft zijn vermaning een beetje verstaan. Fatima heeft vandaag haar gram gehaald.