Nederlandse belegger slechter af dan bij buren

AMSTERDAM, 31 OKT. Het Nederlandse bedrijfsleven loopt ver achter bij omringende landen als Groot-Brittannië en Frankrijk als het gaat om zeggenschap voor beleggers en transparantie van besluitvorming in ondernemingen. Maar B. Thuysbaert, partner bij het Belgische adviesburo Déminor, die bedrijven in vijf Europese landen heeft doorgelicht, verwacht dat Nederland zijn score gaat verbeteren door de publicatie van het rapport van de adviescommissie-Peters over versterking van zeggenschap van beleggers.

“Datzelfde is in Frankrijk gebeurd, nadat vorig jaar daar het rapport-Viénot is gepubliceerd”, vertelt Thuysbaert, die gisteren op verzoek van de Amsterdamse effectenbeurs Déminors onderzoek heeft toegelicht. De commissie Viènot, genoemd naar de topman van de bank Société Générale, kwam vorig jaar met een rapport dat in veel opzichten vergelijkbare voorstellen deed als de commissie-Peters deze week heeft gedaan.

“Het ging misschein niet zo ver als de commissie-Peters”, analyseert Thuysbaert, “maar gezien de Franse manier van zaken doen, met kruiselingse participaties tussen bedrijven, gaat het ver, bijvoorbeeld door de beperking van het aantal commissariaten per persoon.”

Déminor heeft vijf landen onderzocht: Groot-Brittannië (scoort het hoogst), Frankrijk (nummer twee), België, Duitsland en Nederland (hekkensluiter). De Britse bedrijven zijn het verst: daar is de discussie over zeggenschap in bedrijven en de transparantie van het ondernemingsbestuur een paar jaar eerder begonnen dan op het Europese vasteland. Om de Angelsaksische voorsprong te benadrukken heeft continentaal Europa de Britse verzamelnaam voor de discussie overgenomen: corporate governance.

Nederland kan nog wel meekomen met de besten als het om informatie aan beleggers gaat, maar op de punten van zeggenschap van kapitaalverschaffers en de bescherming van minderheidsaandeelhouders blijft Nederland achter, zo blijkt uit het onderzoek. Nederlandse bedrijven zijn ook minder ver met het invoeren van aparte commissies in de raad van commissarissen, die de directie moeten controleren. De punten waarop Nederlandse bedrijven in het Déminor-rapport laag scoren staan stuk voor stuk in de aanbevelingen van de commissie-Peters.

De beste score, in alfabetische volgorde (Déminor geeft geen ranglijst naar punten), halen Aegon, Heineken, KPN, Koninklijke Olie en Unilever. Nederland profiteert daarbij van het feit dat Koninklijke Olie en Unilever zich naar de Britse financiële regels richten.

De publicatie van het rapport-Peters, vernoemd naar de voormalige bestuursvoorzitter van Aegon, vertoont volgens Thuysbaert het geijkte patroon dat hij ook in Groot-Brittannië en Frankrijk heeft waargenomen. De eerste fase is dat bedrijven, in reactie op hogere eisen van hun beleggers, verbeteringen doorvoeren in bijvoorbeeld hun jaarverslag en hun procedures voor de benoeming van commissarissen.

Als het onderwerp in bredere kring gaat leven volgt de benoeming van een adviescommissie met prominenten uit het bedrijfsleven (Cadbury in Groot-Brittannië, Viènot in Frankrijk). Wat daarna gebeurt is een kwestie van nationale cultuur: in Groot-Brittannië is inmiddels de derde commissie actief, die zich buigt over de gedetailleerde publicatieplicht van salarissen en aandelenoptieregelingen voor de directeuren. In Frankrijk staat wetgeving op stapel. Peters ziet niets in nieuwe wetgeving, omdat regelgeving naar zijn zeggen een verlammende werking heeft op de discussie.