Hoe de Nederlandse elite zich van de burger distantieerde; Stoffen machtsvertoon

De hoffunctionaris was in de 19de eeuw gebonden aan de strikte codes van de standenmaatschappij, sociale mobiliteit werd zoveel mogelijk tegengegaan. Het Rijksmuseum presenteert in de gerenoveerde Zuidvleugel staaltjes 'powerdressing'.

Machtsvertoon. Status, geld en invloed uitgedrukt in kostuum en textiel. Zuidvleugel van het Rijksmuseum, bovenverdieping: zaal 15, Hobbemastraat 19, Amsterdam. T/m 2 maart 1997. Open: dag. 10-17 u. Lunchpauze-lezingen op 3 december 12.30 u over 'Machtsvertoon en Sinterklaas: de kleren van de bisschop' en op 10 december 12.30 u over 'Textiel als teken van identiteit en propaganda'.

Aan het hof van Koning Willem I bestond in de vorige eeuw een gecompliceerde en nauwkeurig vastgelegde kledingetiquette. Op uitnodigingen ten paleize werd niet volstaan met het nietszeggende 'tenue de ville' of 'gepaste kleding' maar stond exact aangegeven wat men werd geacht te dragen. Zo was in het dameskostuum altijd een sleep verplicht en de heren kwamen niet binnen als zij niet in 'groot tenue' waren gehuld. Dat betekende volgens koninklijk besluit: een donkerbruine lange jas, satijnen kniebroek, zijden vest, witte kousen, steek en sabel. Een kraag voorzien van baleintjes zorgde er bovendien voor dat de hals goed gekneveld werd.

Voor menig tijdgenoot moet deze outfit niet zozeer benauwend, als wel zeer ouderwets overgekomen zijn, want het Nederlandse hofkostuum was gebaseerd op mode-trends die nog stamden uit 1780. Maar een hoffunctionaris had in de 19de eeuw weinig keus: hij was nu eenmaal gebonden aan de strikte codes van een standenmaatschappij, waarin sociale mobiliteit zoveel mogelijk werd tegengegaan.

Onder de veelzeggende titel 'Machtsvertoon' presenteert het Rijksmuseum te Amsterdam in de zojuist gerenoveerde Zuidvleugel tot en met 2 maart 1997 staaltjes van dit soort 'powerdressing' uit de eigen verzamelingen Kostuum & Textiel. Daarbij komen vragen aan de orde als: hoe distantieerde de Nederlandse elite zich in kleding van de gewone burger? En vooral: hoe werd ten onzent in de vorige eeuw macht getoond? Voor de expositie zijn vijftig stuks textilia uitgekozen die als symbool van macht, geld en status een belangrijke rol speelden. De objecten lopen uiteen van zijden hofjurken in Empire-stijl, kanten zakdoeken met monogram tot damasten linnengoed met de Nederlandse leeuw.

Na zeer lange tijd is dit pas de tweede keer dat het Amsterdamse museum hiermee haar kostuum- en textielcollectie in een conservatorisch verantwoorde ambiance presenteert. Sinds het sluiten van de vaste, maar verouderde opstelling uit 1962 (in niet geklimatiseerde stijlkamers, op gipsen poppen en met gebruik van fnuikend TL-licht) werd in de jaren tachtig en negentig slechts sporadisch iets vernomen van de kledingcollectie in het Rijksmuseum. Dat was volgens kostuumconservator Bianca du Mortier te wijten aan ruimtegebrek, geldtekort en het inhalen van de registratie-achterstand in het depot. Pas bij de heropening van de Zuidvleugel in april van dit jaar kwamen er volgens haar weer genoeg mogelijkheden en financiën beschikbaar om datgene wat in huis is aan een breder publiek te presenteren. “Alhoewel”, voegt ze er lachend aan toe, “de kleding natuurlijk enigszins een Fremdkörper blijft tussen de schilderijen en Aziatische kunst.”

Van oudsher is de Amsterdamse collectie opgebouwd uit kostuums en accessoires afkomstig uit de bovenste lagen van de Nederlandse bevolking. “Je vindt hier dus geen werkmanskleding en geen moderne haute-couture”, licht Du Mortier toe. De kleding hoeft volgens haar niet in eigen land te zijn gemaakt, maar moet wel door een Nederlander zijn gedragen. Het zwaartepunt van de verzameling ligt in de 17de en 18de eeuw. De meeste stukken werden verworven via schenkingen en bruiklenen van vooraanstaande families en zelfs van het Koninklijk Huis.

Voorbeelden van die door het Huis van Oranje in bruikleen gegeven kleding zijn nu ook in de Zuidvleugel te bewonderen: een batisten kleuterjasje gedragen door Prinses Juliana, een kanten zakdoek van Koningin Wilhelmina en een luiermand overtrokken met crèmekleurige satijn gebruikt door Koningin Emma. Een van de hoogtepunten op de expositie is de kanten, koninklijke doopjurk die Koning Willem III in Brussel liet maken voor de doop van Prinses Wilhelmina in 1880. Later is deze complexe creatie ook gebruikt voor de doop van Prinses Juliana (1909), Prinses Beatrix (1938) en Prins Willem-Alexander (1967). In de lange rok van de jurk is het Nederlandse wapen en de spreuk 'Je maintiendrai' geklost, als bevestiging van de monarchie, zodat iedereen bij de doop kon zien dat de toekomst van de dynastie was veiliggesteld. Er waren bij het doopceremonieel zelfs twee speciale kamerheren in dienst, die als 'de slippendragers van de sluier' dienden.

Behalve dit soort machtsvertoon op persoonlijke textilia (zoals het aanbrengen van familie- of stadswapen op dekens, tafellakens, kussens en vlaggen) kon men zijn status ook hangen aan de eigen huishouding. Ieder zichzelf respecterende familie had immers personeel in dienst, van wie de kleding voorzien was van knopen en livreiband met het wapen van het geslacht. “Daarmee bevestigde je niet zozeer de status van de drager”, vertelt Du Mortier, “maar wel de status van degene voor wie hij werkte. De huiskecht werd op die manier een soort klerenhanger waarop de chique familie zijn wapen drapeerde.”

Opmerkelijk op de Amsterdamse tentoonstelling is ook een tweetal onooglijke lintjes van blauwe moiré ripszijde, afgezet met metalen lovertjes. Het betreft hier twee stukjes kouseband die een bruiloftsgast cadeau kreeg ter gelegenheid van het huwelijk van Prinses Marianne (1810-1883) met Prins Albert van Pruisen (1809-1872). Aan het eind van de dag reikte de Grootmeesteres slechts aan enkele 'uitverkorenen' deze lintjes als een soort souvenir uit. Hier blijkt het aspect van machtsvertoon en status volgens Du Mortier uit het feit dat deze verknipte stukjes textiel generaties lang werden vererfd binnen een familie. “Ze werden bewaard als echte kostbaarheden. Anders kunnen die dingen niet in zo'n goede staat bij ons terecht zijn gekomen. Er werd, kortom, grote zorg aan deze miserabele stukjes stof besteed, want ze bevestigden bijna als een ridderorde de maatschappelijke positie van de bezitter.”