Gardiner leidt een afgerond concert

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. John Eliot Gardiner Gehoord: 30/10 Vredenburg Utrecht. Herh.: 31/10; 1/11 Concertgebouw Amsterdam.

Als John Eliot Gardiner voor het Koninklijk Concertgebouworkest staat, dan zingt het en danst het dat het een lieve lust is. Vorige week klonk muziek van Weber, Berlioz en Mendelssohn. Webers ouverture Oberon wordt dezer dagen opnieuw gespeeld in een ander concert dat niet verrassend of spectaculair van aard is, maar wel evenwichtig en afgerond. Oberon begint net als Schuberts Grosse C-Dur-symfonie met kwetsbare hoorntonen. En er zijn dwarsverbanden - speciaal wat betreft typische Oostenrijkse sfeerschilderingen - tussen Schubert en Mahler, wiens Rückertlieder hier klinken.

Het is frappant hoe Gardiner al met enkele maten de overtuiging wekt dat het concert niet meer stuk kan. Daarvoor volstaat de open, volledig gecontroleerde dialoog die in de blazerssectie ontstaat na de broze, intens gespeelde klanken van solo-hoornist Jacob Slagter. Dat betekent overigens niet dat alles ook onberispelijk wordt gespeeld. Ich atmet' einen linden Duft, het eerste van Mahlers liederen, begon gisteren in Vredenburg wat gammel.

Voor de Zweedse mezzosopraan Anne Sofie von Otter was het even zoeken naar de juiste balans en intonatie. Haar pogingen een egale kleuring te realiseren gingen soms ten koste van een evenwichtig volume dat in het hoge register aanvankelijk sterk terugviel. Maar de emotioneel geladen wijze waarop zij de lange vocale lijnen in deze liederen neerzet, terwijl het orkest slechts enkele steunkleuren laat horen in een laag dramatisch ritme, is van een grote klasse. Ich bin der Welt abhanden gekommen vormde in dit opzicht een apotheose.

In Schuberts Negende symfonie ontbreekt weliswaar de menselijke stem, maar de 'lied-componist Schubert' is in veel melodieën nadrukkelijk aanwezig. En dat is iets wat Gardiner met sierlijke fraseringen benadrukt in zijn altijd transparant gehouden orkestklank met de puntig aangezette accenten, dansende ritmes en uitgewogen crescendi. De Schubert van Gardiner ademt pastorale ongereptheid, melodische overvloed en een ontboezemend optimisme.