Duitse overlaten moeten Nederland droog houden

De dijkverzwaring langs de rivieren vormt het sluitstuk van beleid om wateroverlast te beperken. Samenwerking tussen landen in het stroomgebied brengt betere bescherming van de bevolking dichterbij.

KEHL, 31 OKT. In de dijk langs de Boven-Rijn bij het Duitse Kehl is een eenvoudige installatie aangebracht, bestaande uit schuiven die opengaan zodra het water tot grote hoogte stijgt. Dan stroomt de vloed de achterliggende polder Altenheim in, een oppervlak van 520 hectare en geschikt om bijna achttien miljoen kubieke meter water te bergen. Het is een van de zogeheten opvangbekkens of overlaten die moeten meehelpen het stroomgebied van de Rijn te vrijwaren van wateroverlast.

De Zuidduitse deelstaten Baden-Württemberg en Rijnland-Palts hebben vier van dergelijke bassins in gebruik en er moeten er volgens de planning nog negen bijkomen. Maar als al die werken klaar zijn, zal Nederland er maar een gering profijt van trekken. R. Hillen, plaatsvervangend hoofd waterkeringen van Rijkswaterstaat, schat dat ze de hoogste waterstand in het Nederlandse deel van de Rijn met slechts enkele centimeters zullen beperken. “Maar alle beetjes helpen”, is zijn devies tegen de achtergrond van de bijna-ramp die zich begin vorig jaar in rivierenland afspeelde.

Voor hem en vele anderen is dijkverzwaring in het kader van het Deltaplan Grote Rivieren eerder een sluitstuk dan het begin van anti-overstromingsmaatregelen. Vooral internationale samenwerking in het stroomgebied moet de bandjirs van regen- en smeltwater zien te temmen.

De grondslag hiervoor werd gelegd op een bijeenkomst van Europese ministers van Milieu in Arles ten tijde van de watervloed, februari 1995. Een van de uitkomsten was de instelling van de Transnationale Werkgroep Ruimtelijke Ordening en Hoogwaterpreventie Rijn-Maas, die zojuist een tussenrapport heeft uitgebracht. Daarin staat dat overstromingen veelal te wijten zijn aan ingrepen in de natuur, waaronder ontbossing op de oevers, bochtafsnijdingen en het indijken van stukken land waar vroeger het overtollige rivierwater vrijelijk overheenvloeide.

Hillen van Rijkswaterstaat: “Het riviersysteem moet tot in zijn haarvaten een natuurlijker karakter krijgen. Regen moet in de grond kunnen infiltreren, zodat het water geleidelijk en niet in één klap in de rivier terechtkomt. Bovendien moet de rivier meer ruimte krijgen om de schade van hoog water binnen de perken te houden.”

Bij Kehl (schuin tegenover Straatsburg aan de andere kant van de Rijn) vertelt G. Klaiber, directeur van een stuwencomplex, dat de opvangbekkens in Baden-Württemberg vooral ten goede komen aan de eigen streek en de meer stroomafwaarts gelegen delen van Duitsland. Dat is in 1988 gebleken, toen er een overvloed aan smeltwater uit Zwitserland afkwam en de schuiven van onder meer de Altenheimpolder werden opengezet. Die ingreep verlaagde de waterstand ter plaatse met twintig centimeter, terwijl het peil in Noordrijn-Westfalen met zeven centimeter zakte.

Begin 1995 trad het overlaatsysteem niet in werking en het zou Nederland ook weinig geholpen hebben, omdat de overstroming in die tijd te wijten was aan zware regenval in Noord-Frankrijk en Midden-Duitsland, waardoor de Moezel een ongekende piek in de waterafvoer vertoonde.

Nederland is meer gebaat bij opslagbekkens in Noordrijn-Westfalen, de deelstaat die aan Gelderland en Limburg grenst. Inmiddels staan ook daar zulke bassins aan de rivier op stapel. Het gaat om elf locaties, die samen een oppervlak van vijf vierkante kilometer beslaan en in totaal 174 miljoen kubieke meter water kunnen bergen. Volgens de Duitsers moet dat voldoende zijn om het peil bij Lobith in noodgevallen met tien tot twintig centimeter te verlagen.

In alle gevallen verkeren de plannen nog in het stadium van voorbereiding of verkenning. Er worden problemen verwacht bij het uitkopen van boeren, speciaal in de Bylerwaard dichtbij de Nederlandse grens, waar tien boerenbedrijven op de nominatie staan te verdwijnen.

In Zuid-Duitsland zijn voor de opvangbekkens plaatsen gekozen die slechts een beperkt agrarisch doel dienen, vergelijkbaar met de Nederlandse uiterwaarden. De polder Altenheim bijvoorbeeld bestaat voor meer dan de helft uit rivierbegeleidend bos. “En er hoeven ook geen burgers weg”, verzekert Klaiber, “want het gaat om stukken land zonder bewoning.” Niettemin klinkt er protest uit de lokale bevolking, die vreest dat haar veiligheid in het gedrang komt.

Alleen al in Baden-Württemberg bedragen de kosten van de operatie circa anderhalf miljard Duitse marken, inclusief de uitvoering van een herbebossingsplan. Krachtens de regels die in Duitsland gelden zal de deelstaat zelf grotendeels voor de financiering moeten opdraaien. Of dat lukt is voor een man als Klaiber nog de vraag. “Maar misschien dat Nederland zou kunnen meebetalen. Want al is onze bijdrage aan verlaging van het Nederlandse waterpeil slechts in centimeters uit te drukken, elke centimeter telt.”