De staat moet zich verre houden van de opleiding tot imam

Minister Dijkstal kondigde deze week in Marokko aan dat Nederland nu snel een eigen opleiding voor islamitische geestelijken wil beginnen. Dit leidt, aldus

W.A. Shadid en P.S. van Koningsveld, tot ongevraagde en ongewenste inmenging van de overheid in godsdienstige aangelegenheden van burgers.

Verschillende politici en wetenschappers hebben de afgelopen jaren gepleit voor het opleiden van imams in Nederland zelf. Men achtte het een nadeel dat de islamitische geestelijke ambtsdragers hun opleiding in het buitenland (vooral in Turkije en de Arabische wereld) hebben ontvangen, en mede daardoor minder vertrouwd zijn met de Nederlandse verhoudingen en de Nederlandse taal. Hierbij gaat het niet alleen om vrees voor fundamentalistische invloeden, maar ook om het feit dat deze imams onvoldoende zijn voorbereid op hun 'pastorale' taak in algemeen maatschappelijke instellingen zoals ziekenhuizen en penitentiaire inrichtingen.

Kortgeleden heeft minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken zich in dezelfde zin uitgelaten. Hij pleitte voor een islamitische ambtsopleiding in Nederland en benadrukte de noodzaak van een grondige inburgering van imams die uit het buitenland worden gerecruteerd.

Deze hele discussie is discutabel, omdat zij neerkomt op een ongevraagde inmenging van de overheid in de specifiek godsdienstige aangelegenheden van burgers. Bovendien moet het plan zelf als onrealiseerbaar worden beschouwd, omdat het gebaseerd is op een gebrek aan kennis van het reilen en zeilen van de islamitische gemeenschappen in Nederland.

Om te beginnen kan, in tegenstelling tot de aanname van vele discussiedeelnemers, niet gesproken worden van één 'islamitische gemeenschap' in Nederland. De etnische en confessionele verscheidenheid van moslims in Nederland uit zich namelijk in een mozaïek van overwegend kleine tot zeer kleine autonome organisaties op nationaal niveau, waarbij moskeeën of gebedsruimten in een min of meer los verband zijn aangesloten.

We hebben niet alleen te maken met tal van verschillende nationaliteiten, talen en theologische hoofd- en zijstromingen, maar ook nog met uiteenlopende wetsscholen, mystieke orden en religieus-politieke afsplitsingen. Zonder aarzeling mag men stellen dat deze heterogeniteit de spreekwoordelijke tegenstellingen binnen het Nederlandse protestantisme nog verre overtreft.

De geconstateerde heterogeniteit is er onder meer verantwoordelijk voor dat tot nu toe geen centraal orgaan is ontstaan dat met enige representativiteit namens de moslims in Nederland kan spreken, bijvoorbeeld om overleg met de overheid te voeren. Dit geldt overigens niet alleen voor Nederland, maar voor alle landen van de Europese Unie, waar ongeveer acht miljoen mensen met een islamitische achtergrond woonachtig zijn.

In samenhang hiermee is tot nu toe vanuit de islamitische gemeenschappen geen enkel gecoördineerd initiatief genomen in de richting van een imamopleiding in Nederland of West-Europa. Aangenomen moet worden dat het draagvlak ontbreekt voor een dergelijke van buiten- en bovenaf gecreëerde opleiding en vooral voor de aanvaarding van de daarbinnen opgeleide imams.

Dit laat onverlet dat in incidentele gevallen woordvoerders van sommige organisaties zich positief over een dergelijke opleiding hebben uitgelaten. Wat de gemeenschappen aan de basis willen is primair een imam in wie zij zichzelf zowel etnisch als confessioneel geheel kunnen herkennen.

Bij het voorgaande komt nog een belangrijke praktische complicatie van financiële aard. Gesteld dat een dergelijke imamopleiding inderdaad zou worden gerealiseerd en dat de aldus opgeleide imams voor de plaatselijke moskeegemeenschappen aanvaardbaar zouden zijn, dan nog zijn verreweg de meeste van de genoemde gemeenschappen zeker niet in staat om aan de afgestudeerde imams een behoorlijk salaris uit te betalen.

De huidige situatie is dat de salarissen van de meeste Turkse imams worden bekostigd door de Turkse overheid, die hen bovendien op tijdelijke basis naar Nederland uitzendt (circa vier jaar). De andere imams zijn ofwel vrijwilligers, ofwel in deeltijd aangesteld, of ze genieten dikwijls een inkomen dat gelegen is beneden het minimumloon. Vrijwel geen van hen bezit de arbeidsrechtelijke positie van een werknemer.

Of de Turkse overheid bereid zal zijn om in Nederland opgeleide imams te salariëren, moet ernstig worden betwijfeld. Daar de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen niet toestaan dat imams uit de staatskas worden betaald, is het denkbaar dat de gemeenschappen in kwestie in toenemende mate een beroep gaan doen op buitenlandse geldschieters. Aldus zou deze imamopleiding onbedoeld een stimulans kunnen worden van een nog grotere afhankelijkheid van de islamitische gemeenschappen in Nederland van buitenlandse mogendheden, waardoor hun ruimte tot het varen van een eigen koers binnen Nederland ernstig wordt verminderd. Dit, terwijl een dergelijke onafhankelijke koers onontbeerlijk is voor hun integratie in Nederland.

Hoewel de scheiding tussen kerk en staat in Nederland minder ver is doorgevoerd dan dikwijls wordt aangenomen, brengen de staatsrechtelijke verhoudingen met zich mee dat de overheid zich zeer terughoudend pleegt op te stellen in inhoudelijke godsdienstige aangelegenheden en met name wanneer het gaat om de opleiding van geestelijke ambtsdragers. De neutraliteit die aan deze terughoudendheid en niet-inmenging ten grondslag ligt, is inderdaad een essentiële basisvoorwaarde voor een multiconfessionele en multireligieuze samenleving als de Nederlandse.

Zouden regering en parlement zich bijvoorbeeld actief bemoeien met de opleidingen van predikanten en pastores op een wijze waarop zij dit de laatste jaren met die van de imams hebben gedaan, dan zouden wij reeds thans getuige zijn van een religieus-politiek conflict vergeleken waarbij de schoolstrijd kinderspel was.

Dat de overheid dit ten aanzien van moslims wel meent te kunnen doen, toont vooral aan dat de islam in het bewustzijn van ministers en volksvertegenwoordigers een wezenlijk andere status heeft dan de andere godsdiensten in dit land. Dit is des te bedenkelijker daar het volgens de eigen regels opleiden, aanstellen en verkiezen van leiders (inclusief imams) tot de vaste bestanddelen behoort van de godsdienstvrijheid zoals deze wordt gegarandeerd door de Nederlandse grondwet en door verscheidene internationale verdragen die door Nederland mede zijn ondertekend.

Het voorgaande betekent overigens niet dat de overheid in het geheel niets kan doen. Allereerst kunnen de randvoorwaarden worden geschapen waaronder eventuele toekomstige initiatieven in de richting van een imamopleiding in Nederland, mits deze afkomstig zijn uit een of meerdere islamitische organisaties, een kans krijgen. Hiertoe kan onder meer gerekend worden de bevordering van reeds bestaande vormen van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs op het terrein van de islam aan universiteiten en hogere beroepsopleidingen.

Voorts kan de overheid bevorderen dat speciale applicatiecursussen worden opgezet voor imams die voor een aanstelling in ziekenhuizen, leger of penitentiaire inrichtingen in aanmerking willen komen.

Ten slotte kunnen de mogelijkheden tot het volgen van inburgeringscursussen worden vergroot voor die imams die voor langere tijd in Nederland werkzaam willen zijn.

Veel meer zal de overheid vooralsnog niet kunnen doen. Wanneer het gaat om confessioneel-inhoudelijke zaken als een ambtsopleiding, is een afwachtende houding op zijn plaats, tot het moment waarop concrete initiatieven vanuit de islamitische gemeenschappen zelf zullen worden genomen.