'Aanbieders Internet-diensten moeten meer samenwerken'

Het Internet hapert. Alle tekenen wijzen daarop. Miljoenen zijn urenlang, dagenlang soms, verstoken van toegang tot het net. Het aantal aangeslotenen is sinds 1988 ieder jaar verdubbeld en de drukte op sommige lange-afstandsroutes verdubbelt elke vier maanden. Een pagina ophalen op het World Wide Web kan lang duren omdat de dataverbindingen verstopt zitten.

Van de andere kant gezien gaat het prima met het Internet.

Audio- en video-programmatuur waarvan we vroeger slechts konden dromen, zijn nu gemeengoed. Berichten ijlen 30 procent sneller de wereld rond dan twee jaar geleden. De grootste Internet-providers breiden hun capaciteit in een ontzagwekkend tempo uit - het Amerikaanse MCI heeft alleen al dit jaar de hoeveelheid verkeer die zijn lijnen aankunnen, verviervoudigd.

Beide visies zijn correct: de waarheid ligt ergens in het midden.

Technici voorspelden het ineenstorten van computernetwerken al voordat er van een Internet sprake was, en om de paar jaar doen nieuwe rampscenario's de ronde. Het jongste alarmverhaal is eind vorig jaar begonnen met een serie columns, voordrachten en interviews van en met netwerk-pionier Bob Metcalfe, die waarschuwde dat het Net als een supernova zou exploderen.

“Het Internet is uit zijn krachten gegroeid en moet op de helling”, zei hij. “Er zullen steeds vaker storingen optreden, en die zullen steeds ernstiger worden.” Volgens Metcalfe is het Internet in zijn huidige vorm een losse, onlogisch aaneengeschakelde hoeveelheid computernetwerken, die nodig moet worden aangepast aan de realiteit. Maar waar hij een desintegrerend systeem ziet, zien anderen juist innovatie en groei.

“Het Internet gaat niet te gronde. We bevinden ons alleen in een overgangsfase naar een sneller, stabieler netwerk”, zegt Fred Baker, voorzitter van de Internet Engineering Task Force, het instituut dat de technische standaards voor het Internet vaststelt.

En voorzover Internet-demograaf John Quarterman kan zien werkt het systeem zonder mankeren. “De trend is verbetering van de service, alleen niet in het tempo waarin mensen zich aansluiten. Maar dat is altijd zo geweest”, aldus Quarterman, wiens bedrijf Matrix Information Services in Austin (Texas) uitstekend cijfermateriaal over groei en gebruik van het Internet produceert.

Men zou kunnen zeggen dat het meningsverschil gaat tussen hen die menen dat de vrije ideeënmarkt waaruit het wereldomspannende netwerk van netwerken bestaat vanzelf met de nodige oplossingen zal komen, en hen die vinden dat er moet worden ingegrepen. Metcalfe: “Ik verzet me tegen de bio-anarchistische intelligentsia die het Internet draaiende houdt, de mensen die denken dat het Net leeft en niet te sturen valt.” Wat hoogdravend, maar ook mijmerend voegt hij eraan toe: “We zouden een groot feest moeten geven, ze feliciteren met de bouw van zo iets prachtigs als het Internet, en ze dan naar huis sturen.”

Waarop Quarterman antwoordt, met hetzelfde beschaafde stemgeluid als alle deelnemers aan het debat: “Als ik een oude Texaanse zegswijze mag debiteren: Wat niet kapot is, moet je niet repareren.”

Misschien zijn de groeipijnen van het netwerk een noodzakelijk kwaad. Tot vorig jaar kende de infrastructuur van het Internet een soort de facto structuur, in die zin dat de National Science Foundation de grote backbones beheerde, de lange-afstandsverbindingen waarlangs het meeste verkeer werd afgewikkeld.

Toen besloot de Amerikaanse regering dat het Internet (van oorsprong een onderzoeksproject gerelateerd aan de Koude Oorlog), groot genoeg was om op eigen benen te staan. Ze liet het Internet los uit de onvaste greep die ze nog had en stelde de backbones van de NSF buiten werking. Als gevolg daarvan gebeurden er twee dingen: ten eerste werd het opeens mogelijk om commercieel verkeer over het Internet te sturen (wat verboden was zolang het met overheidsgeld in stand werd gehouden), en een allegaartje van private ondernemingen nam het lange-afstandsverkeer over.

Commercieel verkeer betekende meer drukte en een massale run in cyberspace, omdat iedereen het net op wilde. Ten tweede kwamen er per jaar miljoenen gebruikers bij en als gevolg daarvan een onvoorstelbare groei van de vraag naar capaciteit, of zoals het online heet: bandbreedte. Niet langer legde één organisatie tamelijk logische connecties tussen aanbieders van Internet-aansluitingen ('providers') aan, maar een veelheid van commerciële ondernemingen legde verbindingen die hun het best uitkwamen, maar niet altijd gunstig waren voor het net als geheel.

Wil het Internet betrouwbaar functioneren, dan moet het meer centraal worden georganiseerd, meent Metcalfe, en hij wil dat de bedrijven die Internet-aansluitingen voor particulieren en ondernemingen verzorgen zelf maatregelen nemen. “De aanbieders van Internet-diensten, en daarvan zijn er in Noord-Amerika meer dan drieduizend, moeten de handen ineenslaan”, zegt hij.

In zijn visie zouden de ondernemingen die binnen een vrije markt opereren regelmatig bijeen moeten komen, storingen moeten opsporen en verhelpen, de Internet-protocols (afspraken over het dataverkeer) opschonen, de wirwar van verbindingen tussen netwerken rationaliseren, en een geregeld systeem voor onderlinge afrekening opzetten.

Hij pleit er zelfs voor dat een uit het Internet zelf voortgekomen organisatie, de Internet Engineering Planning Group, die taak op zich neemt voordat andere, minder welwillende lieden dat doen. “Het huidige bestuurlijke vacuüm biedt grote monopolies de kans om toe te slaan en de macht over te nemen”, zegt hij. “Eén mogelijke kandidaat is de regering, wat God verhoede. Een andere, en dat is vreselijk zorgwekkend, zijn de telefoonmaatschappijen. Dat zou het einde betekenen: ze innoveren in slakkentempo en draaien hun cliënten een poot uit. De derde zou Microsoft zijn, en daar moeten we niet aan denken.”

Wonder boven wonder is Microsoft het met Metcalfe eens: Peter Ford van de afdeling Internetworking heeft een toekomst voor ogen waarin een zekere consolidatie optreedt, maar waarin een groot aantal ondernemingen diensten in verschillende soorten en maten verleent. “Het mooie van het Internet is dat we altijd opties hebben”, aldus Ford.

Wat de toekomst ook brengen moge aan stagnaties, storingen en uiteenlopende dienstenpakketten, het Internet lijkt als geen andere organisatie in staat om uit te groeien tot datgene waaraan behoefte bestaat. Zoals een technicus tijdens de jongste jaarvergadering van het Internet Genootschap in Montreal zei: “Het Net is dood; leve het Net!” (AP)