Wielerlegende Fausto Coppi leeft voort als fiets

Oud-profwielrenner Jos van der Pas (29) importeert Coppi-racefietsen. Wat in een opwelling begon, resulteerde in een zakelijk succes. Met dank aan Gerrit Schulte en renners als Bugno en Bartoli.

ROSMALEN, 30 OKT. Voorzichtig trekt Jos van der Pas de portemonnee uit zijn achterzak. Hij grabbelt in muntgeld en houdt tussen duim en wijsvinger een blikken embleem met geëmailleerde letters dat eind jaren vijftig het balhoofd van een Coppi-fiets sierde. Het is een presentje dat hij vorig jaar kreeg van de man die de racefietsen voor Fausto Coppi bouwde. Het logo is hetzelfde gebleven, maar bijna veertig jaar later wordt het in de vorm van een sticker op de gelijknamige racefiets aangebracht.

De campionissimo Coppi heeft een bijzondere plaats in het leven van Van der Pas. Als jongetje luisterde de oud-profrenner bij zijn grootvader naar de stoere wielerverhalen van Gerrit Schulte, de inmiddels overleden legende die met opa een passie voor duivenmelken deelde. Het ventje hoorde daar hoe de oud-wereldkampioen op de baan vol bewondering over ene Coppi sprak.

Vele jaren later fietste Van der Pas als prof in Italië de Ronde van de Apennijnen. Daags voor een etappe las hij in het programmaboek over het snelheidsrecord dat Fausto Coppi daar in een beklimming had gevestigd. Het herinnerde hem aan de verhalen van Schulte.

Van der Pas, die eind 1993 bij TVM zijn carrière loopbaan beëindigde, zag in 1994 Gianni Bugno de Ronde van Vlaanderen winnen op een Coppi-fiets. De oud-profrenner stapte vol déjà-vu's in de auto en reed naar Italië. Na een bezoek aan de fietsfabriek van Masciaghi keerde hij met vijf Coppi-frames in Nederland terug. Een jaar later verkocht Van der Pas in Nederland en Duitsland al 2.400 Coppi's, waarvan bijna veertig procent in eigen land. In 1995 kwamen ongeveer duizend van de circa 13.000 racefietsen (op een totaal van 1,35 miljoen verkochte fietsen) uit het magazijn van Van der Pas. “Er kijken wat marketing-mensen over mijn schouder mee en die staan versteld van wat er in de fietsenhandel nog mogelijk is.” Tussen de bedrijven door zorgde de importeur uit Rosmalen ervoor dat er een Nederlandse wielrenner, Gerrit de Vries, aan de slag kon bij Polti, een van de twee (Italiaanse) profploegen die op Coppi's fietsen.

Als zakenman profiteert Van der Pas van zijn vorige leven als wielrenner. In Nederland viel het niet mee om na de fietscarrière een baan te vinden. “Ik heb aan den lijve ondervonden hoe negatief men hier over ex-topsporters denkt. Veel mensen zien het niet als een prestatie. Ze vinden dat je niet volwaardig aan de maatschappij hebt deelgenomen.” In Duitsland en Italië ontmoet Van der Pas naar eigen zeggen wel respect als oud-wielrenner.

Van der Pas onderstreept het belang van een goede fiets. “Wielrennen is niet alleen een kwestie van zo hard mogelijk trappen. De rol van de fiets wordt onderschat. Als je niet zeker bent van je fiets, geeft dat een vervelend gevoel. Een fiets die er goed uitziet, kan je een onkwetsbaar gevoel geven en omgekeerd. Als je ziet hoe de fietsen bij Italiaanse ploegen verzorgd worden. Hier heb je mecaniciens die de hogedrukspuit erop zetten en dat is 't dan. Maar daar zijn mecaniciens tot twaalf uur 's nachts ermee bezig en om zes uur 's ochtends staan ze er weer. Soms polijsten ze de fiets zelfs. Als het dan in de wedstrijd niet lukt, ligt het echt aan jezelf.”

Een fiets die de naam Coppi draagt, geeft volgens renners extra kracht. “Ik ben er echt verguld mee om met deze naam op mijn trui en fiets te mogen rijden”, zegt tweevoudig wereldkampioen Gianni Bugno. “Het geeft me moraal.” Begin vorig jaar verruilde hij Polti voor de MG-Technogym-ploeg, die ook met Coppi's rijdt. Bij Polti maakte Mauro Gianetti veel reclame voor de fiets. Vorig jaar won hij Luik-Bastenaken-Luik en de Amstel Gold-race, afgelopen zondag de Japan Cup. Op een Coppi werd Pascal Richard olympisch kampioen.

Met de dood van Fausto Coppi in 1960 hield ook het gelijknamige merk op te bestaan. Coppi's weduwe Giulia, beter bekend als de Witte Dame, had altijd geweigerd de rechten te verkopen of te verhuren. Na de dood van zijn moeder verkocht zoon Faustino de naam van zijn vader aan fietsenfabrikant Masciaghi. Dat was begin 1993. Een jaar later reden er profs op Coppi's en begon Van der Pas met de invoer van frames.

Aanvankelijk waren de Nederlandse fietsverkopers niet onder de indruk van de Coppi-fiets. In Duitsland, waar Van der Pas een promotietoernee maakte met een opgetuigde Coppi-fiets van 9.000 gulden, was er wel snel succes. Sinds kort is de Brabander ook actief in Engeland. “Iedereen denkt dat die markt oninteressant is, daarom doet niemand er iets aan. Het is weliswaar een kleine markt, maar door het gebrek aan concurrentie kun je daar heel veel doen.” Ook in de Verenigde Staten en Zuid-Afrika ziet hij mogelijkheden. De zaken groeien Van der Pas een beetje boven het hoofd. Hij heeft één medewerker. “Ik zit zelf ook nog wel eens een factuur te tikken.”

Over de toekomst van het wielrennen in Nederland, waar ook de toekomst van de racefiets van afhangt, heeft Van der Pas een uitgesproken mening. Hij kritiseert uitspraken als zou er met “de jeugd van tegenwoordig” niks meer zijn aan te vangen. Het imago van de wielersport moet nodig worden opgepoetst. “Het wielrennen is niet met zijn tijd meegegaan. Als je op school zegt dat je fietst, word je niet voor vol aangezien.”

Belangrijker dan het zoeken naar nieuw talent dat al fietst, is volgens Van der Pas ervoor te zorgen dat de sport bij veel meer jongeren aanslaat. “Mario Cipollini, kampioen van Italië, rijdt in een dikke Mercedes rond, heeft lang haar, draagt een oorbel. Tegen dat soort renners bestaan in Nederland vooroordelen. Terwijl het er toch om gaat dat je hard fietst? Rebellen zoals Cipollini en Baldato worden in Italië geaccepteerd. Als dat in Nederland ook zou gebeuren, zouden er meer renners tot de top doordringen dan Jeroen Blijlevens, Tristan Hoffman en Michael Boogerd. Wat wildere types als Wilco Zuiderwijk, Frank Veenendaal en John den Braber bijvoorbeeld. Zulke jongens worden in Nederland niet goed begeleid, vindt Van der Pas.

“Den Braber werd door ploeggenoten als een schurk beschouwd omdat hij tegen de regels in een zak met Mars-repen had. En dat in een tijd waarin er op scholen volop wordt geslikt en gesnoven. Hier moeten wielrenners bij voorkeur Erik Dekker-figuren zijn, kleurloos, Zoetemelk-achtig. Maar dat zijn geen aansprekende voorbeelden voor de jeugd. Types als Cipollini en Baldato zijn er ook in Nederland, maar die fietsen niet. Die zijn met skateboards in de weer, daarmee kunnen ze zichzelf blijven. Een tijdje geleden zag ik in Den Bosch een paar jongens op skateboards bezig: die hebben al dertig keer hun knieën kapot gevallen voordat ze hun kunstjes kunnen uithalen. Dat zouden goeie wielrenners zijn, jongens met mentaliteit. Het gezeur dat de jeugd geen karakter meer heeft, moet ophouden.”