Vernietigend oordeel Rekenkamer; Harde kritiek op steun aan bedrijven

DEN HAAG, 30 OKT. Het ministerie van Economische Zaken heeft sinds 1987 zonder enig plan financiële steun gegeven aan DAF, Fokker en NedCar. Welke effecten de steun aan deze bedrijven had op de werkgelegenheid was zowel vooraf als achteraf onbekend. Verder was de informatieverstrekking over de staatssteun aan Fokker van het departement naar de Tweede Kamer onvolledig.

Dit concludeert de Algemene Rekenkamer in het vandaag verschenen rapport 'Financiële relaties met grote ondernemingen' waarin vijf steunoperaties zijn onderzocht, in de periode 1987 tot en met 1994.

Bij één van deze operaties, een “financiële injectie” van 412 miljoen gulden aan Fokker (de zogenoemde technolease) geeft het college aan dat dit “de staat een disproportioneel bedrag (zal) gaan kosten”. De Rabobank betaalde met instemming van de toenmalige minister van Economische Zaken Andriessen voor de technische knowhow van Fokker. De constructie zal volgens de Rekenkamer “de staat een bedrag gaan kosten (...) dat de vermogensversterking aan Fokker in ruime mate overschrijdt”. Het gaat daarbij om een bedrag van 800 miljoen à 1 miljard gulden.

De Rekenkamer velt een vernietigend oordeel over de handelwijze van de vorige ministers van Economische Zaken, De Korte (Lubbers II) en Andriessen (Lubbers III). Volgens de Rekenkamer baseerden zij hun beslissingen op onvolledige informatie en was de coördinatie met andere departementen niet optimaal.

President van de Rekenkamer H. Koning en het collegelid dat het rapport heeft geschreven, oud-burgemeester van Den Haag A. Havermans, zeggen in een gesprek met deze krant dat Economische Zaken niets heeft geleerd van de zogeheten RSV-affaire. Begin jaren tachtig probeerde de overheid met miljarden guldens aan staatssteun tevergeefs het scheepsbouwconcern overeind te houden. Sindsdien eist de Tweede Kamer dat steunoperaties plaatshebben aan de hand van een samenhangend reddingsplan.

De ministers Wijers (Economische Zaken) en Zalm (Financiën) hebben tot gisteren geprobeerd publicatie van het rapport tegen te houden. De bewindslieden vreesden dat er vertrouwelijke informatie mee in de openbaarheid zou komen. Uiteindelijk gingen ze akkoord met een geheime bijlage waarin onder meer staat hoeveel de steunoperaties de overheid hebben gekost. Ze staan nog steeds uiterst kritisch tegenover het rapport. “De conclusies van het rapport zijn op zijn zachtst gezegd betwistbaar”, zei Wijers vanmiddag.

In een brief die beide bewindslieden vandaag naar de Tweede Kamer stuurden nemen Wijers en Zalm afstand van het Rekenkamer-rapport dat “geen recht doet aan de zorgvuldigheid, waarmee (...) door de Staat is gehandeld”. De bewindslieden zeggen dat het rapport de belangen schaadt van de regering, de Staten-Generaal en de internationale economische betrekkingen van Nederland.

Pagina 19: Kritiek op fiscale truc bij Fokker

De Rekenkamer toont zich kritisch over de informatievertrekking aan de Tweede Kamer, medio 1994, met betrekking tot de technolease-constructie voor Fokker. Het college is ervan overtuigd dat De Korte, Andriessen, Van Amelsvoort (toen staatssecretaris van Financiën) en in mindere mate Wijers de Kamer onvoldoende hebben geïnformeerd. Voor de conclusie dàt de Kamer onvolledig of onjuist is geïnformeerd ontbeert de Rekenkamer ondersteunend bewijs. De geluidsbanden van vertrouwelijk overleg tussen Kamer en bewindslieden van Economische Zaken en Financiën blijken namelijk te zijn gewist.

Het is de eerste keer dat de Rekenkamer grootschalig onderzoek doet naar niet-overheidsinstellingen. Een wetswijziging uit 1989 maakt dit mogelijk. De wijziging is het gevolg van de RSV-enquête uit 1984. Toen bleek dat van een effectieve besteding van het overheidsgeld niets was terechtgekomen.

Om herhaling van het RSV-debacle te voorkomen besloten achtereenvolgens De Korte en Andriessen het verlenen van staatssteun voortaan planmatig aan te pakken. Zo introduceerde De Korte in 1987 de 'clusterbenadering', die zijn opvolger overnam. Hiermee wordt beoogd dat, voordat een bedrijf steun krijgt, in kaart wordt gebracht wat de betekenis van dit bedrijf is voor de economische structuur. Daarmee kan het ministerie dan doelen formuleren over gewenste en verwachte werkgelegenheidseffecten van financiële steun. De Rekenkamer trof echter niets aan dat erop duidde dat clusters in kaart waren gebracht rondom bedrijven waaraan steun was verleend.