'Opvoedingssteun werkt pas wanneer je niet hoeft'

Ten einde crimineel gedrag van jongeren te voorkomen wil Justitie opvoedingssteun aan 'risicogroepen' niet meer vrijblijvend laten zijn. Maar ouders in de 'risicowijken' geloven dat gedwongen steun zinloos is.

AMSTERDAM, 30 OKT. Het jongste zoontje van de Marokkaanse Kahidja (25) sliep slecht, huilde voortdurend en vocht constant met zijn vierjarige broertje om speelgoed. Kahidja wist zich geen raad met zijn gedrag. Moest ze hem een fles in de mond duwen als hij driftig werd? Eindeloos laten huilen? Zijn zin geven? Haar moeder kon ze niet om advies vragen, die is in Marokko. De Marokkaanse moeders, rond de tafel in het consultatiebureau in de wijk De Baarsjes kennen het probleem.

“Je moet voorkomen dat je doordraait.” Ook zij die het Nederlands niet verstaan, knikken, na deze vertaling. Op vrijwillige basis bespreken deze vrouwen elke drie maanden met de wijkverpleegkundige hun problemen met de opvoeding.

Deze driejarige proefprojecten van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) hebben tot doel in een vroeg stadium ouders in 'risicogroepen' te begeleiden bij de opvoeding van hun kinderen, ook al zijn de gezinnen nog nooit in aanraking geweest met justitie of de Kinderbescherming. Minister Sorgdrager (Justitie) wil het aantal projecten - er zijn er nu zeven - uitbreiden en ze een minder vrijblijvend karakter geven, “Om crimineel gedrag van jongeren te voorkomen”, zei ze onlangs. Het Kabinet zei op prinsjesdag te willen onderzoeken of ouders “met enige drang kunnen worden aangezet tot aanvaarding van die opvoedingssteun”.

Maar verplichte hulp roept weerzin op, zeggen de andere Marokkaanse moeders rond de tafel. Saida: “Deze gesprekken zijn juist goed omdat je niet hòeft te komen”. Het consultatiebureau is voor de vrouwen bekend terrein en het bureau wordt niet als bedreigend ervaren. Kahidja: “Ik kom hier uit mezelf, met mìjn vragen. Deze mensen vertrouw ik gewoon.” De vrouwen zeggen er niets voor te voelen verplicht advies van vreemden te moeten inwinnen over opvoeding. “Bovendien moeten we eventueel thuis kunnen blijven, als we opeens visite krijgen.” Voor één groep zou verplichte opkomst wel voordeel opleveren, zegt Saida, de vrouwen die van hun echtgenoten niet mogen komen, maar dat wel willen.

Bij de Arabisch-Marokkaanse Kahidja thuis komt - in het kader van hetzelfde project - sinds een paar weken een Nederlandse vrouw om met de kinderen te spelen. “Die legt me uit wat te doen als de kinderen vechten.” Maar bij Rikja, moeder van drie kinderen, zou zoiets niet kunnen. “Mijn man is altijd thuis en zou niet wensen dat een buitenstaander zich kwam bemoeien met de opvoeding van onze kinderen.” Rikja weet haar geboortedatum niet en spreekt geen Arabisch of Nederlands maar een Berber-dialect.

Wat de vrouwen in het project 'Support' bindt is afkomst, moederschap, hun behoefte aan 'opvoedingsondersteuning' en de leeftijd van hun kinderen, die gemiddeld 18 maanden oud zijn. En de 'risicofactoren' die pedagogen, criminologen en ambtenaren van Justitie en Welzijn in hun leefomgeving signaleren. Ze wonen in een achterstandswijk waar de meerderheid van de kinderen van Turkse of Marokkaanse afkomst is. De meeste ouders in de wijk spreken nauwelijks Nederlands. Wat de Nederlandse basisschool van ouders verwacht: een boekje voorlezen, de kinderen op tijd naar bed sturen en 's ochtends goed gevoed en op tijd naar school brengen, weten ze niet.

Opvoedingsondersteuning is niet nieuw. Sinds de vorige eeuw heeft de overheid geprobeerd arbeidersgezinnen een 'beschaafde' levensstijl aan te leren. Hulpverleners wezen de armen op het nut van orde, netheid, geregeld werk, spaarzin en plichtsbetrachting. 'Support' biedt een reeks activiteiten, zoals voorleesmiddagen, een speelinloop, en cursussen als 'Opvoeden Zo!' Met de huidige proefprojecten wordt getracht te voorkomen dat kinderen beginnen aan de basisschool met een taal- en ontwikkelingsachterstand. Onderwijsachterstand vergroot weer de kans dat jongeren in de puberteit misdrijven begaan. In De Baarsjes is bijna eenderde van de beroepsbevolking werkloos, het gemiddelde inkomen is laag. Dit geldt ook voor autochtone bewoners.

Via de twee plekken waar alle ouders, dus ook 'risico-ouders' komen - het consultatiebureau en de basisschool - probeert de Support-coördinatrice Paulien Rietveld een omgeving te scheppen waarin ouders zich veilig voelen. Ook zij die een geïsoleerd leven leiden: de Turkse en Marokaanse moeders die niet werken en niet in de bibliotheek of het buurthuis komen. “In een vertrouwde omgeving komen ze pas met vragen over de opvoeding. En àls er iets misgaat, is de kans dan groter dat ze hulp inroepen om hun problemen op te lossen.” Voor de Marokkaanse vrouwen is het gemakkelijk af te spreken in het consultatiebureau omdat hun echtgenoten weten dat daar geen mannen komen kaarten of drinken, zoals in het buurthuis. Ouders in De Baarsjes zitten, zo blijkt uit een lokale enquête, vooral met vragen als: wat doe ik als mijn kind lastig is? Ik krijg hem niet in bed. Hij gilt, is driftig, koppig. Volgens Rietveld zijn dit normale verschijnselen, die elk kind vertoont. “Maar je moet weten hoe ermee om te gaan en dat het van voorbijgaande aard is.”

De Amsterdamse pedagoog Paul Leseman adviseert Justitie over de effecten van opvoedingssteun. Die steun blijkt volgens de onderzoeker tot nu toe vooralsnog niet te leiden tot betere schoolcijfers.