Groei in het Groene Hart getemd

De Tweede Kamer begint vandaag aan de begroting van VROM. Ruimtelijke ordening heeft wel invloed, maar is niet bepalend voor de ruimtelijke ontwikkeling, zo blijkt uit Ruimtelijke Verkenningen 1996.

ROTTERDAM, 30 OKT. Het Groene Hart is pas doorgebroken als begrip in het publiek debat toen het kabinet er een spoorlijn doorheen wilde trekken. Toch bestaat het begrip in de Nederlandse planningsdoctrine al tientallen jaren. Gedurende het grootste deel van die tijd geldt voor dat gebied een restrictief beleid op het gebied van bebouwing: het moet open en groen blijven, en dus mogen er niet te veel woningen en bedrijfsgebouwen komen.

Het Groene Hart is omstreden onder planologen, om twee redenen. In de eerste plaats wijst menigeen erop dat het geen homogeen gebied is. Lang niet alle groen is waardevol natuurgebied. Een deel bestaat uit wat wel wordt genoemd Heugafeltgroen: gewone agrarische-produktieweilanden. Degenen die wijzen op de heterogeniteit van het gebied pleiten in het algemeen voor een scherpere afbakening van de werkelijk waardevolle delen - waarvoor dan ook een absolute bouwstop zou kunnen worden ingevoerd - en delen waar wel verdere verstedelijking zou kunnen plaatshebben.

De tweede reden voor de omstreden status van het Groene Hart hangt daarmee samen. Decennialang restrictief beleid heeft weinig resultaat gehad, betogen critici. Er is immers geen ander samenhangend gebied in Nederland waarvan de bevolking de afgelopen 25 jaar zo snel is gegroeid. De bevolking nam toe met ruim 35 procent, een tweemaal zo grote groei als bijvoorbeeld in de Brabantse stedenrij. Het Groene Hart heeft meer inwoners dan provincies als Groningen, Friesland en Drenthe, hoewel die toch stuk voor stuk groter zijn.

Aangezien de bevolkingsgroei en de daarmee samenhangende groei van de bebouwing onmiskenbaar zijn, valt er iets te zeggen voor de stelling dat het restrictief beleid heeft gefaald. Maar er zijn altijd meer manieren om naar cijfers te kijken. In Ruimtelijke Verkenningen 1996, het deze maand verschenen jaarboek van de Rijksplanologische Dienst (RPD), wordt onder meer de groei van bevolking en bebouwing van gemeenten in het Groene Hart vergeleken met die in de gemeenten net buiten dat gebied. En dan ontstaat een heel ander beeld.

In het begin van de jaren zeventig groeiden vrijwel alle gemeenten in het Groene Hart aanzienlijk sneller dan de gemeenten daarbuiten. Dat verschil is in de daarop volgende twee decennia gestaag afgenomen en inmiddels vrijwel verdwenen. Gemiddeld is de groei in het hart nog iets groter dan in de omgeving - 0,9 procent per jaar, tegen 0,8 procent voor heel Nederland en voor de omliggende stadsgewesten - maar dit wordt geheel veroorzaakt door enkele sterk verstedelijkte gemeenten. Van de ruim 100.000 woningen die er de afgelopen 25 jaar in het gebied zijn gebouwd kwam bijna de helft terecht in de zes grootste gemeenten. Met name Alphen aan den Rijn en Gouda groeiden als kool, Alphen aan den Rijn zelfs met 142 procent. Er is dus nog steeds sprake van groei, maar met even veel recht valt te concluderen dat het restrictief beleid de groei in het Groene Hart heeft getemd.

Ook bedrijfsvestigingen worden in toenemende mate in de zes grootste gemeenten geconcentreerd (behalve Alphen en Gouda gaat het om Woerden, De Ronde Venen, Waddinxveen en IJsselstein). In 1991 was nog 35 procent van de 2.825 hectare bedrijventerrein in het Groene Hart in de zes grootste gemeenten te vinden, in 1995 was dat al 39 procent. Van de nog beschikbare voorraad bedrijventerreinen ligt nu 57 procent in de grote zes, vijf jaar geleden was dat nog maar 36 procent.

Het temmen van de groei in het Groene Hart heeft dus wel een prijs gehad: de heterogeniteit van het gebied is sterk toegenomen. Een stad als Gouda is bijna tot aan zijn gemeentegrenzen volgebouwd en behoort daarmee tot de sterkst verstedelijkte gemeenten van Nederland. De concentratie van bevolking en economische activiteiten in de zes grootste gemeenten van het Groene Hart zal dan ook de discussie over de vraag of één ruimtelijk beleid voor het hele Groene Hart gerechtvaardigd is eerder aanwakkeren dan doen verstommen.

Hoewel het Groene Hart meer dan 200.000 banen telt - op een kleine 700.000 inwoners - is het meer een woongebied dan een werkgebied. Volgens een berekening van de RPD werkten in 1992/1993 94.000 inwoners van het Groene Hart buiten dat gebied, 50.500 meer dan er van buiten naar binnen pendelen. Een pendelsaldo van meer dan vijftigduizend geldt als extreem hoog: alleen de stadsgewesten Amsterdam en Rotterdam scoren hoger, maar daar is de inkomende pendel groter dan de uitgaande. Kortom, het Groene Hart genereert veel mobiliteit, voor een belangrijk deel per auto. Gouda behoort tot de gemeenten met het hoogste autobezit per hoofd van heel Nederland.

Het voorbeeld van het Groene Hart laat zien dat ruimtelijk beleid onmiskenbaar invloed heeft op de feitelijke ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland, maar daarin zeker niet de enige en zelfs lang niet altijd de meest bepalende factor is. Die ervaringsgegevens zijn van belang voor de komende grote discussies over ruimtegebruik in Nederland, waarbij twee thema's centraal staan.

Het eerste thema is het verdelingsvraagstuk: waar moet wat komen de komende decennia? Het gaat dan om pakweg een miljoen nieuwe woningen, bedrijventerreinen, winkels, maar ook om een tweede nationale luchthaven, een grootschalige uitbreiding van de Rotterdamse haven, veel weg- en spoorweginfrastructuur én nieuwe natuur. Tot 2005 liggen de plannen inmiddels ongeveer vast. Wat betreft woningbouw worden de contouren over de gewenste ontwikkelingen tot 2010 langzamerhand duidelijk. Volgend jaar is een grote studie van de RPD gepland over Nederland in 2030, die ongetwijfeld een belangrijke rol gaat spelen in het debat over Nederland in de 21ste eeuw. Immers, het is de ambitie van dit kabinet, en met name van premier Kok zelf, om een aantal grote beslissingen voor de lange termijn voor te bereiden opdat het volgende kabinet die daadwerkelijk kan nemen. Het tweede thema dat het ministerie van VROM op de agenda probeert te krijgen is 'duurzaam ruimtegebruik'. In de jongste Ruimtelijke Verkenningen is er een heel hoofdstuk aan gewijd, en op het ministerie is men druk doende een geheel nieuw vocabulaire te ontwikkelen om de discussie over duurzaam ruimtegebruik in te voeren. Woorden als leefomgevingskapitaal en leefwaarde klinken nu nog vreemd in de oren, maar we zullen ze de komende jaren zeker vaker gaan horen.