GPV'er Schutte moet Tweede Kamervoorzitter worden

Het eerste gerucht over Deetmans kandidatuur voor het Haagse burgemeesterschap was nog maar nauwelijks gelanceerd, of de speculatie-machine over zijn opvolging als voorzitter van de Tweede Kamer draaide op volle toeren. Om de zoveel weken dook wel ergens in een krant een pasfotootje op van een Kamerlid dat in staat moest worden geacht de eerste positie bij de wetgevende macht op gezagvolle wijze uit te oefenen.

De speculaties weerspiegelden het partijpolitieke klimaat dat al decennialang rond dit soort benoemingen heerst. Paars heeft daar niet mee gebroken, integendeel. De regentesk aandoende aanwijzing van oud-minister Hans Alders tot commissaris van de koningin in Groningen, en de manier waarop Den Haag nu Deetman in de maag gesplitst krijgt, leerden dat ook paars geen afscheid heeft genomen van de achterkamertjes, pleidooien voor het tegendeel ten spijt.

Met het vertrek van Deetman dient zich een gouden gelegenheid aan voor de huidige coalitie om zich van haar beste vernieuwingskant te laten zien. Er is namelijk alle reden het ambt van Tweede Kamer niet slechts te beschouwen als afgeleide van partijpolitieke belangen. Tot de belangrijkste staatsrechtelijke ontwikkelingen van de laatste jaren behoort de vrijere rol dan voorheen van het parlement tegenover het kabinet. Die blijkt onder meer uit een actievere opstelling bij het houden van eigen onderzoeken en parlementaire enquêtes. De benoeming van de nieuwe parlementsvoorzitter zou een bezegeling moeten vormen van die ontwikkeling.

In dat geval kan men niet heen om een man die - bijna tot vervelens toe - bestempeld werd tot het staatsrechtelijk geweten van de Tweede Kamer. Hij behoort tot het soort Kamerleden over wiens deskundigheid en gezag bijna niets anders dan lof wordt gezongen. Hij is lid van een partij die met veelal uitstekende Kamerleden een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de parlementaire traditie. Als Bukman - naar het schijnt inmiddels de belangrijkste kandidaat om Deetman op te volgen - Kamervoorzitter kan worden, waarom Gert Schutte, fractievoorzitter van het GPV, dan niet?

Tot voor kort kon men gevoeglijk eminente Kamerleden uit de kleine partijen negeren. Hun politieke positie lag zo ver uit het democratisch centrum, dat zij niet geloofwaardig konden functioneren in de combinatie van Kamervoorzitter en lid van hun eigen fractie. Ook de kleine partijen hebben zich echter niet kunnen onttrekken aan de trek naar het midden. Christelijke politici onderscheiden zich niet meer uitsluitend met opvallende standpunten in abortus- en euthanasiediscussies, maar profileren zich ook steeds meer op sociaal en milieu-vlak. Daarmee vallen ze niet meer te negeren voor 'grote-mensen'-functies.

Nu kan men hiertegen inbrengen dat functies als die van Kamervoorzitter geen keuze voor een persoon zijn, maar voor een vertegenwoordiger van een politieke stroming. Probleem is dat die politieke stromingen de laatste jaren nogal wat malaiseverschijnselen kennen, zoals ideologische bloedarmoede en ledenverlies. De partij van Schutte heeft zich daar, als een van de weinige, tot nog toe aan kunnen onttrekken. Zijn aanwijzing als Kamervoorzitter zou daarvan een erkenning vormen.

De keuze voor een 'van God gezonden' Kamervoorzitter, zou een verrassend, maar toch niet helemaal verbazingwekkend bijverschijnsel zijn van het aantreden van de paarse, niet-christelijke coalitie. Het GPV leverde immers enige tijd geleden voor het eerst een voorzitter voor een parlementaire onderzoekscommissie. Bovendien zegde minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken onlangs toe aan een gezelschap van GPV- en SGP-bestuurders, dat hij meer burgemeesters uit hun kring wilde benoemen.

Probleem is wel dat de aanwijzing van Schutte, behalve de ultieme emancipatie van het GPV binnen het staatsbestel, ook tot de bijna-opheffing van de GPV-fractie in de Tweede Kamer zou leiden. Het Kamervoorzitterschap van de GPV'er zou een enorme aderlating betekenen voor de tweemansfractie, reden voor Schutte om “als voorlopige reactie” te laten weten het “moeilijk” te vinden op een eventueel aanbod van paars in te gaan.

Voorlopig gaat het er echter om of de paarse leiders bij de vervulling van de 'Deetman-vacature' tot een aanbod aan het GPV in staat zijn. VVD-voorman Bolkestein is dat zeker. Hij gaf het parlementarisme een stevige impuls door als partijleider in de Tweede Kamer te blijven. Ook deed hij niet moeilijk over het aftreden van zijn partijgenoot Linschoten als staatssecretaris van Sociale Zaken. Het gedrag van de VVD-leider duidt op het prettig soort onthechtheid ten opzichte van diep ingesleten, maar verkeerde gebruiken, dat nodig is voor een verrassende geste.

D66 is aanspreekbaar omdat deze partij zich altijd erg druk maakt om een geloofwaardige besluitvorming in de politiek, niet gehinderd door geheime afspraken en verborgen agenda's. Bovendien is uit haar kring niemand kandidaat voor de post van Kamervoorzitter. De Democraten hebben dus niets te verliezen.

Anders ligt het voor het CDA en de PvdA. Naarmate de aanhang van deze twee partijen slinkt en hun ideologische uitstraling verzwakt, klampen beiden zich des te sterker vast aan hun presentie op bestuurlijk vlak. Het zou jammer zijn als dergelijke partijpolitieke motieven de doorslag gaven bij de keuze van een nieuwe Tweede-Kamervoorzitter. Die is namelijk geen kwestie van particratie, maar van democratie.