Gereïncarneerd

Hans Warren beschrijft in zijn onlangs verschenen natuurdagboek 1936-1942 een situatie die een goede illustratie vormt van zijn stelling dat de natuur geen gevoeligheid kent. Drie meeuwen vechten om een prooi die in het water drijft. “Tenslotte lukt het er één de twee andere te verjagen en hij ging terug naar de prooi.

Ik zag dat die nog leefde, het was een wijfjestoppereend. Zij kreeg een onbarmhartige houw van de gele bek en wentelde om en om in de golven. Soms lag ze met de pootjes gestrekt en de kop omhoog op de rug, dan weer dreef ze gewoon rond. Weer gaf de meeuw een houw en hij scheurde een stuk vlees uit haar borst dat hij, op een ijsschots staand, opat. De topper leefde nog, wentelde al langzamer en langzamer''. Deze scène houdt mij bezig, niet vanwege de achteloze onbarmhartigheid die de natuur kenmerkt, maar vanwege het feit dat ik op die dag werd geboren. Op die dag werd een toppereend levend uiteengereten in het water van de Westerschelde. En vond daar natuurlijk ook haar dood.

Ik heb weinig affiniteit met het obscurantisme, maar na het lezen van deze dagboekaantekening kan ik er de verleidingen wel van voelen. Heb ik niet het recht en meer nog, de plicht even bij het lot van deze eend stil te staan? Ik voel ook een lichte neiging tot identificatie. Die neiging zou ik ook hebben als Hans Warren geschreven had dat hij later in gedachten verzonken naar huis terug liep met het vage gevoel dat er vandaag een fatsoenlijk mens geboren was. Waarom zou ik niet denken dat dat op mij betrekking had? Ik vind dat dagboekschrijvers veel vaker zulke losse opmerkingen moeten maken. Je doet er altijd iemand een plezier mee en voor die dagboekschrijvers is het een kleine moeite.

Als ik mij ooit zal melden bij de huisarts met de klacht dat ik een ondragelijke pijn heb in mijn borst en als hij niets lichamelijks kan vinden, ligt het voor de hand dat ik mij zal vervoegen bij de reïncarnatietherapeut. En dan kom ik natuurlijk met een verwijzing naar deze eend. Ik beschik in de persoon van Hans Warren zelfs over een ooggetuige en misschien kan ik hem voor meer details nog laten oproepen. Er zijn momenteel tien keer zoveel mensen in reïncarnatietherapie als in psychoanalyse. En een verrassend hoog aantal heeft er baat bij. Ik herinner me niets van dat leven als eend, maar dat zou ik kunnen wijten aan een animaal Korsakov-syndroom, waarvan het bestaan niet werd vermoed, maar dat nu plausibel wordt. Zo schrijdt de wetenschap voort. De filosofische vraag die Thomas Nagel zich in 1974 stelde, What is it like to be a bat, verandert in 1996 in de empirische kwestie Hoe voelt het om een eend geweest te zijn, en bij de beantwoording daarvan kan ik - of kunnen die eend en ik - nog een bescheiden rol spelen.

Ik zou tegen zo'n reïncarnatietherapie trouwens wel opzien. Niet zozeer omdat ik het beneden mijn waardigheid acht ooit een eend geweest te zijn of omdat ik vrees dat toenemende vereenzelviging effect heeft op mijn manier van lopen, maar omdat ik het meningsverschil met die eend vrees, wanneer zij steeds duidelijker door mijn mond zal spreken. Als ik ga vertellen hoe het voelt om een eend geweest te zijn, zal die eend misschien zeggen dat daarmee nog niet verteld is hoe het voor haar voelt om een eend geweest te zijn. En dan kan ik natuurlijk moeilijk zeggen dat onze gemeenschappelijke therapeut zich daarvoor geen snars interesseert. Ik ben bang dat ik met die eend in een soort relatietherapie terecht kom, waarin vooral mijn egocentrisme aan de kaak gesteld zal worden. Zo'n therapeut kiest op een gegeven moment misschien partij en intervenieert met de opmerking dat ik mevrouw ook eens aan het woord moet laten komen. En dan moet ik dat misprijzende en verongelijkte gesnater aanhoren. Ik vrees het moment dat ik voor de verleiding zwicht hatelijk op te merken dat zij beter kan gaan rugzwemmen in het Zuiderbad. Ik weet natuurlijk dat het veel redelijker is om de vraag te behandelen hoe het voor ons beiden voelt om een eend geweest te zijn, maar voor het aanleren van redelijkheid ga ik niet in therapie. Ik zou wel willen dat Hans Warren op de dag van mijn geboorte gewoon thuis gebleven was bij de warme kachel. Waar bemoeide hij zich mee.