De geschiedenis van het Filmmuseum in het Amsterdamse Vondelpark; Het paleis van de geniale voddenraper

In het Amsterdamse Vondelpark staat een wonderlijk gebouw. Sinds 1975 biedt het onderdak aan het Filmmuseum. “De weerzin tegen het museum blijft beperkt tot een kniesoor.”

Jubileumvoorstellingen Nederlands Filmmuseum: tot en met 30 november voorprogramma en hoofdfilm, dagelijks 20u30.

Annemieke Hendriks: Huis van illusies. Uitg. Bas Lubberhuizen. 120p.

'Een stoere ridder tegen de filmvernietiging'. Redactie: Hoos Blotkamp, Annemieke Hendriks. NFM Themareeks no. 33, 16 p.

Op het laagste punt van Amsterdam staat een wonderlijk gebouw, waar al sinds zijn voltooiing in 1881 een gevecht wordt geleverd met de elementen. De geschiedenis van het door architect W. Hamer jr. ontworpen Vondelparkpaviljoen, een 'prinsessenpaleis' met gekoepelde torentjes, rondboogvormige vensters en gecanneleerde Ionische halfzuilen, is een aaneenschakeling van mislukte horeca-exploitaties, verzandende initiatieven tot grootstedelijke grandeur, en een permanente neiging om tot mausoleum te vervallen. De burgerij van Amsterdam-Zuid dronk koffie op het terras, Joop ter Heul danste er op een gemaskerd bal (in Cissy van Marxveldts meisjesboek Joop en haar jongen uit 1925), Duitse cavaleristen sloegen tijdens de Tweede Wereldoorlog zware pinnen in het marmer om er hun zadels aan op te hangen, het Holland Festival hield er in de jaren vijftig nazit, er was een deftige kunstenaarssociëteit en een louche nachtrestaurant, maar geen van alle gebruikers wist er blijvend het hoofd boven water te houden.

Pas sinds de verbouwing in 1991 van het gebouw dat vanaf 1975 bekend staat als het Nederlands Filmmuseum, lijkt het tij te zijn gekeerd; het in de voormalige 'Caveau' gesitueerde café Vertigo is een levendig en laagdrempelig Amsterdams trefpunt geworden, dat niet alleen bezoekers uit de filmwereld trekt. Uitbater Bas Lubberhuizen, tevens uitgever, liet de roemruchte historie van zijn voorgangers door journaliste Annemieke Hendriks beschrijven in een amusant en leerzaam boekje, getiteld Huis van illusies. Een groot deel van het verhaal is ook gewijd aan de historie van het Filmmuseum, dat ongeveer de helft van zijn vijftigjarige bestaan elders doorbracht.

Het gouden jubileum, dat de hele maand november gevierd wordt met dagelijks wisselende voorstellingen van lange en korte films uit de eigen collectie, was ook aanleiding tot een verzoening tussen de eerste directeur Jan de Vaal, die in 1986 onder zware kritiek van filmliefhebbers en subsidiënten zelf verkoos het veld te ruimen, en zijn opvolgster Hoos Blotkamp. In 1987 werd het voormalig hoofd Beeldende Kunsten en Bouwkunst op het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aangesteld om puin te ruimen en nieuw elan te brengen in de archivering, conservering en vooral de publieksfuncties van het Filmmuseum. De Vaal moest met lede ogen op ruime afstand aanzien hoe Blotkamp onder applaus van de buitenwereld en met een aanmerkelijk hoger budget zijn eigen idealen wist te verwezenlijken. De hele jubileumviering lijkt te staan in het teken van verzoenende gebaren. Het Filmmuseum gaf zelfs een geheel aan De Vaal gewijde brochure uit, onder de titel Een stoere ridder tegen de filmvernietiging.

De Vaal was een fanatieke collectioneur, die in 1946 aangesteld werd als directeur van het door Piet Meerburg en Paul Kijzer van de studentenbioscoop Kriterion opgerichte Nederlands Historisch Film Archief. Uit een fusie met het Uitkijk Archief, dat de erfenis van de Filmliga beheerde, ontstond in 1952 het Nederlands Filmmuseum. Na eerst in Kriterion te zijn gehuisvest, trok het Filmmuseum in bij het Stedelijk Museum, om precies te zijn in een kamertje in een voormalige luchtkoker. Ook de voorstellingen vonden plaats in het Stedelijk, wat gezien de brandbaarheid van de nitraatcollectie geen voor de hand liggende lokatie lijkt. Jhr.W.J.M. Sandberg, de toenmalige directeur van het Stedelijk, ontpopte zich echter als een stuwende kracht achter de voorstellingen. Voor De Vaal lag de prioriteit echter elders: gezien de snelle vergankelijkheid van het nitraatmateriaal formuleerde hij eens dat de vijf taken van het Filmmuseum, in hiërarchische volgorde, waren: verzamelen, nog eens verzamelen, samenwerken, documenteren/studeren en dan pas vertonen.

Al in 1958 liet De Vaal zijn oog vallen op het snel verkommerende Vondelparkpaviljoen. Een lange loopgravenoorlog met de gemeente Amsterdam, die het gebouw na de teloorgang van het Internationaal Cultureel Centrum in het jaar 1972 zelfs tijdelijk als trouwzaal gebruikte, had aanvankelijk weinig resultaat. Vanaf 1972 begon De Vaal stukje bij beetje ruimte te veroveren in het Vondelparkpaviljoen, totdat het in 1975 als Nederlands Filmmuseum geheel in gebruik kon worden genomen (met uitzondering van nachtrestaurant Kiekeboe, waar een in Hendriks' boek vermakelijk beschreven guerrilla mee gevoerd werd).

Fysiek heeft De Vaal zijn droompaleis in bezit weten te krijgen, daarna lukte het hem echter niet om er een goed geëxploiteerd, open en levendig centrum van de Nederlandse filmcultuur van te maken. Er waren maar drie filmvoorstellingen per week, de deur was altijd op slot, mede uit angst voor de op het bordes kamperende hippies, en uit de filmwereld nam de kritiek op het 'knekelhuis' en 'het paleis van een geniale voddenraper' zienderogen toe.

Onder Blotkamps leiding is ook dat laatste gevecht, het niet laten lijden van de toegankelijkheid en openheid onder het tegelijkertijd redden van schimmelende affiches en verkruimelende rollen film, gewonnen. Ook al houdt het bezoek aan de voorstellingen nog steeds niet over, het zijn er meer dan twintig per week en de collectie is grotendeels toegankelijk gemaakt. De weerzin jegens het gesloten karakter en het vermeende hobbyisme van het Nederlands Filmmuseum is tegenwoordig beperkt tot een enkele kniesoor met oud zeer. Daartoe behoort dus niet meer Jan de Vaal, die blij is met de films die in het jubileumprogramma draaien: “Al die filmtitels komen me bekend voor”.