Conclusies

Het onderzoek van de Rekenkamer naar de financiële relatie van de Staat met Fokker, DAF en NedCar laat zien dat sinds de tweede helft van de jaren tachtig belangrijke steunoperaties onvoldoende in overeenstemming met de door de Staten-Generaal vastgestelde beleidsuitgangpsunten werden uitgevoerd.

Volgens de instructiebrief uit 1993 dienen bedrijven die om steun vragen de kern van een cluster te vormen. Die clusters bleken echter niet in kaart gebracht, zodat ook de effecten van steunverlening op de werkgelegenheid onbekend zijn.

De informatie waarover de betrokken ministeries beschikten ten tijde van de steunverleningsoperatie was niet altijd toereikend. Een samenhangend reddingsplan werd voor geen van de onderzochte steunverleningsoperaties aangetroffen. De coördinatie tussen betrokken departementen was niet optimaal, terwijl integriteitsrisico's werden gesignaleerd. Met documenten die vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Fokker en NedCar bevatten werd niet zorgvuldig omgegaan.

Naar de overtuiging van de Rekenkamer voldeed de informatieverzorging wat betreft Fokker niet aan de normen die naar aanleiding van de RSV-enquête in 1994 zijn geformuleerd. Deze overtuiging omzetten in een conclusie kan alleen de Tweede Kamer. De Rekenkamer vindt dat de steun aan DAF laat werd gemeld. In het geval-NedCar beschikt de Rekenkamer niet over voldoende informatie.

De aanmelding bij de EC van de steunverlening is niet met voldoende waarborgen omgeven.

De technolease-constructie tussen Fokker en Rabo, die resulteerde in een financiële injectie van 412 miljoen gulden, zal de Staat een disproportioneel bedrag kosten. Het betreft hier verliesfinanciering met geen ander doel dan het voorkomen van een faillissement van Fokker. De RSV-lessen zijn naar de mening van de Rekenkamer niet voldoende ter harte genomen.

De Rekenkamer beveelt aan: ook clusters die nu niet in moeilijkheden verkeren zouden in kaart moeten worden gebracht - zeker waar het gaat om aanmerkelijke directe en indirecte werkgelegenheid; zorg bij steunverlening voor maatwerk en voorkom een ad hoc-benadering: er zou in ieder geval een standaardaanpak moeten zijn, die pro-actief vorm kan krijgen; onderdeel van deze standaardaanpak zou een draaiboek moeten zijn voor ambtelijke werkgroepen die steunoperaties begeleiden, mede ter vermijding van interdepartementale fricties; zo'n draaiboek zou een checklist moeten bevatten die aangeeft welke informatie nodig is, welke elementen van een reddingsplan ingevuld moeten zijn, welke voorwaarden gesteld moeten worden, welke regeling voor het toezicht getroffen is, welke eisen de Europese regelgeving stelt, met welke adviseurs voor welke typen vraagstukken goede ervaringen zijn opgedaan, etcetera; het toezicht op naleving van de voorwaarden zou verder geüniformeerd moeten worden, met inbegrip van de wijze van verantwoorden aan de Staten-Generaal; elke steunoperatie dient te worden geëvalueerd, waarbij als vast punt ook aandacht wordt besteed aan de mate waarin de standaardwerkwijze (het draaiboek) is gehanteerd; afwijkingen daarvan dienen expliciet en controleerbaar verantwoord te worden; mocht daaruit blijken dat de werkwijze aanpassing behoeft, dan dient dat duidelijke te worden vastgesteld; de vaste elementen van wijze van behandeling zouden in ruime kring bekendgemaakt moeten worden, zodat naast de Staten-Generaal ook bedrijven, banken en vakbeweging weten waar zij aan toe zijn; teneinde ook in spoedeisende situaties te voldoen aan het vereiste van artikel 93 van het EG-verdrag zou in de aan de steunverlening ten grondslag liggende overeenkomsten een opschortende voorwaarde dienen te worden opgenomen, waarmee aan de 'stand-still' verplichting voldaan zal zijn.