Archaïsche arbeidsverhoudingen bij veel Zuidkoreaanse bedrijven; Eén toiletbezoek per twee uur en praatverbod

SEOUL, 30 OKT. Erg gelukkig waren ze er niet mee bij de Amerikaanse sportschoenengigant Nike, die het intens vervloekt om in de VS aan de schandpaal te worden genageld omdat subcontractors in Derde Wereldlanden elementaire arbeidsvoorwaarden aan hun laars lappen. Toch was het op 1 augustus weer eens zover. Een vrouwelijke manager van Nike's Zuidkoreaanse toeleverancier Sam Yang kreeg onder overweldigende belangstelling van de Vietnamese pers van de rechter in Ho Chi Minh City drie maanden wegens een incident dat afgelopen maart plaatsvond.

De manager had toen vijftien Vietnamese werkneemsters in een rij opgesteld en ze vervolgens met een slordig vervaardigde schoen om de oren gemept. Waarop de 1500 werknemers van het bedrijf prompt in staking gingen en de bewuste manager nog dezelfde dag werd ontslagen. Koreaanse bazen hebben vooral in Vietnam, waar de mensen tot voor kort gewend waren aan gemoedelijke staatsbedrijven, inzake arbeidsverhoudingen een twijfelachtige reputatie opgebouwd. Volgens het Vietnamese ministerie van arbeid waren Koreaanse bedrijven betrokken bij niet minder dan 40 van de 79 stakingen die er sinds 1990 bij buitenlandse bedrijven in het land plaatsvonden.

Ook in andere landen wisten Zuidkoreaanse ondernemers inmiddels een welverdiende reputatie van ongevoeligheid jegens lokale werknemers op te bouwen. Zo meldde de Wall Street Journal begin oktober dat de Koreaanse firma Sejen Electronics in het Chinese Zuhai praten tijdens de arbeid strikt verbood en de werknemers slechts één toiletbezoek per twee uur toestond. Maar wat het bedrijf in een internationaal spotlicht van publiciteit bracht, was een incident waarbij de Koreaanse meerderheidseigenaar Kim Jin-sun meer dan honderd arbeiders beval voor hem te knielen, omdat ze te lang hadden gepauzeerd.

“De klachten over dit soort incidenten bij Koreaanse bedrijven stromen bij ons binnen”, aldus secretaris-generaal Neil Kearney van de in Brussel gevestigde Internationale Federatie van Werknemers in de Textiel en Lederwarenindustrie. Maar Lee Dong-eung, directeur internationale zaken van de invloedrijke Koreaanse werkgeversfederatie zegt in Seoul dat het gros van de klachten kleine Koreaanse bedrijven betreft. Vaak verlieten die Korea al jaren geleden om elders in de Derde Wereld te profiteren van nog lagere lonen. En daarbij namen ze hun antiquarische opvattingen over arbeidsverhoudingen, die nadien in Korea zelf aan snelle slijtage onderhevig waren, mee.

Traditioneel stelden Zuidkoreaanse werkgevers zich conform de wat autoritaire en communautaire tradities van het confucianisme op. Het waren de voor tegenspraak weinig gevoelige leiders die van hun onderdanen een onvoorwaardelijke inzet en loyaliteit jegens de groep en de groepsdoelen eisen. De zeldzame werknemers die daar moeite mee hadden, konden rekenen op verbaal en soms zelfs fysiek geweld dan wel uitsluiting uit de groep. Vakbonden werden in Korea lange tijd verdoemd als wezensvreemde en ordeverstorende nieuwlichters.

Maar door de pijlsnelle economische ontwikkelingen vanaf de jaren zestig aangevuld met de politieke democratisering in de jaren tachtig werden arbeidsverhoudingen gaandeweg gemoderniseerd, al blijven er op punten belangrijke hiaten. Voor zover het Koreaanse vestigingen in het buitenland betreft scoren kleinere Koreaanse bedrijven die al enige tijd geleden naar de Derde Wereld verkasten dus het slechtst. Zij waren er vooral in overig Azië verantwoordelijk voor dat het 'ugly American' besef uit de jaren zestig inmiddels lang en breed is vervangen door de 'ugly Korean' reputatie.

Grotere Koreaanse bedrijven, vooral voorzover ze zich recent in Amerikaanse en Westeuropese high tech-sectoren hebben genesteld, proberen zich wel serieus aan plaatselijke bedrijfs- en managementculturen aan te passen. Al blijven Koreanen een zekere koudwatervrees jegens het vakbondswezen koesteren. “Zij zien vakbonden niet als onderdeel van hun cultuur”, aldus Stella Guy, coördinator bij de General Workers Union in Noordoost-Engeland. “Het Koreaanse management smijt zeker niet de deur voor ons dicht en is zelfs hoffelijk. Maar je merkt dat ze niet echt doordrongen zijn van de noodzaak zaken met ons te doen.”

Al zijn er in Groot-Brittannië, waar nu al ruim 10.000 mensen bij Koreaanse bedrijven werken, ook geluiden te horen die minstens zoveel over de Engelse als over de Koreaanse mentaliteit zeggen. Zo liet Mark Termi, hoofd onderzoek van de Engelse Engineering and Electrical Union onlangs wat klagerig weten: “Zuidkoreaanse bedrijven eisen voor een dag beloning een hele dag lang hard werken.”

In een poging de 'ugly Korean' reputatie in de Derde Wereld weg te masseren, verspreidde de Koreaanse Raad van Economische Organisaties in Seoul eerder dit jaar onder Koreaanse ondernemers in den vreemde een moderne gedragscode. Tegelijk plaatste de Koreaanse overheid op haar ambassades in gevoelige landen als Vietnam, China, Pakistan en India speciale arbeidsattaché's.

In Zuid-Korea zelf zijn de arbeidsverhoudingen in het kielzog van de economische en politieke ontwikkeling het afgelopen decennium sterk verbeterd, al blijven zaken als hiërarchie en groepsbelang er zwaarder wegen dan in het Westen. Ook daar scoren de grote industriële groepen of chaebols beter dan kleine bedrijven, al blijft de argwaan jegens vakbonden overal bestaan. Zuid-Korea's grootste chaebol Samsung tolereert bijvoorbeeld geen enkele onafhankelijke vakbondsaktiviteit op z'n Koreaanse werkvloeren.

Daar komt bij dat Amnesty International tot op de dag van vandaag moet pleiten voor het lot van enkele leiders van de onafhankelijke Korean Conference of Trade Unions (KCTU) die wil opereren naast een erkende zusterorganisatie. Deze leiders kwamen in aanvaring met de autoriteiten en zitten nu gevangen of worden vervolgd wegens overtreding van het verbod op 'third party intervention' zoals vastgelegd in de arbeidswetgeving. Daarbij wordt het een derde persoon, ofwel iemand die niet direct bij een bepaalde werkplaats is betrokken, verboden zich met conflicten op die plaats te bemoeien. Overigens heeft de regering in Seoul zich in ruil voor de recente toelating tot de 'rijke landenclub' OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) verplicht ook die wetgeving te veranderen.