Stug doorzetten en handig doorschuiven

De ministers van het kabinet-Kok verdedigen deze weken hun begroting in de Tweede Kamer. Het kabinet is halverwege de rit: tijd voor een tussenbalans. Vandaag: minister Ritzen (PvdA, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen).

DEN HAAG, 29 OKT. Als weinig anderen beheerst minister J. Ritzen de kunst van het goochelen met miljoenen en miljarden op zijn begroting. Zijn verleden als hoogleraar onderwijseconomie en openbare financiën komt hem daarbij uitstekend van pas. Aan zijn begroting valt in dit opzicht ook eer te behalen, want die is met 37,2 miljard gulden de grootste van alle departementale begrotingen. Van de 202,1 miljard gulden die het rijk het komend jaar wil uitgeven gaat 18,4 procent naar het departement van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van Ritzens financiële goochelkunst zal echter in 1997 wel buitengewoon veel worden gevergd.

Nadat hij in de eerste twee jaar van deze kabinetsperiode fors heeft bezuinigd op de studiefinanciering en het hoger onderwijs, is het gat op dit deel van zijn begroting nu gedicht. De studenten voelen de harde hand van de minister die hen niet alleen korter en efficiënter wil laten studeren, maar die ook de studiefinanciering tot een zo laag niveau heeft teruggeschroefd dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in het gedrang dreigt te komen. Daarom heeft Ritzen nu een brede commissie samengesteld die het komend jaar het niet meer geheel aan zijn doelen beantwoordende stelsel van studiefinanciering opnieuw moet bekijken. Uitgangspunt daarbij is dat niet zal worden getornd aan het totale budget van 4,5 miljard gulden. Dat neemt de druk wat van de ketel en het typeert ook de werkwijze van Ritzen. Hij kan stug zijn beleid doorzetten, maar als hij uiteindelijk op een muur van weerstanden stuit, kan hij ook de problemen voor zich uit schuiven en neemt hij de tijd om naar een oplossing te zoeken.

Bij de formatie van het kabinet-Kok had Ritzen nog openlijk stelling genomen tegen de voorgenomen bezuinigingen op zijn portefeuille, maar uiteindelijk keerde hij gewoon terug in het nieuwe kabinet. In Trouw gaf hij als verklaring: “Ik had het idee dat de onderwijsbegroting een drenkeling was en ik ben haar nagesprongen.”

Voor het komende jaar blijft het hoger onderwijs grotendeels uit de wind. Alle aandacht richt zich op de problemen van de klassengrootte in de basisschool. Staatssecretaris Netelenbos zei nog aan de vooravond van prinsjesdag dat verkleining van de klassen een miljard gulden zou kosten, “of misschien wel het dubbele”. Maar tijdens de algemene politieke beschouwingen nam de Tweede Kamer een motie aan over een stappenplan om op termijn toch tot kleinere klassen te komen. En na het verslag van de commissie-Van Eijndhoven over de relatie tussen klassengrootte en de kwaliteit van het funderend onderwijs zal de Tweede Kamer al dit begrotingsjaar verder willen gaan dan Ritzen en zijn staatssecretaris Netelenbos voor prinsjesdag nog voor mogelijk hadden gehouden. De vraag hoe die kleinere klassen betaald moeten worden, zal aller aandacht opeisen. Een deel van de Tweede Kamer heeft reeds het oog laten vallen op het bedrag van honderd miljoen gulden dat was gereserveerd voor onderwijsassistenten - goedkope hulpjes in de klas. Maar dit is onvoldoende om op korte termijn de klassen zodanig te verkleinen dat het ook effect sorteert. Ritzen zou Ritzen niet zijn als hij niet zou proberen om ook hiervoor van de Kamer dekking te vragen uit de algemene middelen. Want zijn begroting mag dan de grootste zijn, er zijn nog een paar andere financiële zorgen die met het jaar toenemen.

Voor de post wachtgelden is voor 1997 een bedrag van honderd miljoen gulden extra uitgetrokken. Het betreft de uitkering aan een toenemende schare leerkrachten die thuis zit, ondanks de grote klassen en ondanks de werkdruk van jongere collega's. Vanuit de oppositie klinkt het verwijt dat Ritzen het probleem van de wachtgelden ernstig heeft onderschat. De minister heeft inmiddels, zij het schoorvoetend, toegegeven dat dit probleem veel omvangrijker is dan hij dit voorjaar nog dacht. Bij de regeringsfracties komt de minister niet zomaar weg met het argument dat hij het ook niet kan helpen, omdat het nu eenmaal een min of meer autonoom voortvloeisel is van de vergrijzing van het lerarenkorps, en geen werkgelegenheidsprobleem. Een complicatie hierbij is overigens dat een effectief beleid om oudere leraren voor het onderwijs te behouden helemaal niet goedkoper zal zijn dan de almaar oplopende post voor wachtgelden. In een rapport over de wachtgelden, De jaren tellen, komt een bedrag van tweehonderd miljoen gulden extra uit de bus dat voor dat behoud nodig zou zijn, terwijl de minister nog rekende op tweehonderd miljoen minder. Een kloof van vierhonderd miljoen gulden in één jaar.

Een ander probleem is dat de Tweede Kamer vraagtekens zet bij de voorgenomen bezuiniging op de studiefinanciering in het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). Deze zou bescheiden beginnen met 12 miljoen in 1997, maar moet in het jaar 2000 zijn opgelopen tot 124 miljoen per jaar. Een opzetje om in 1997 al 25 miljoen gulden extra bij het MBO te bezuinigen door versneld lesgeld te innen, is inmiddels om uitvoeringstechnische redenen uitgesteld.

Met een baaierd van financiële problemen voor de boeg gaat intussen de discussie met het onderwijsveld verder over het ideaal van leren leren, en ook het zogeheten kennisdebat wacht op een afronding, die is voorzien in maart 1997.

De vraag rest hoeveel tijd, energie (en geld) er dan nog over blijft voor de voorgenomen vernieuwing van het voortgezet onderwijs (het zogeheten studiehuis) en voor plannen met nieuwe leerwegen op Mavo en VWO.

Ritzen kan kundig een begroting saneren, maar wat hij voor zich uitschuift komt hij toch een keer tegen. Het zal zijn eer te na zijn om die problemen over te laten aan een nieuw kabinet, en daarmee aan zijn opvolger.