Srebrenica, de zweer

Sinds juli 1995 is Srebrenica een naam in de vaderlandse geschiedenis. Ook in de geschiedenis van Frankrijk, Engeland, Amerika en de Verenigde Naties, maar vooral in onze geschiedenis, die we in dit geval delen met de Bosnische moslims en Serviërs. De slachtoffers van deze grote oorlogsmisdaad zijn moslims, de daders zijn Serviërs.

En 'wij', de soldaten van Dutchbat en degenen onder wier verantwoordelijkheid ze daar waren? Getuigen in ieder geval. Misschien ook passieve medeplichtigen? Of 'medeplichtigen' tussen aanhalingstekens omdat er geen andere mogelijkheid dan de rol van toeschouwer gelaten was? Hoe is Dutchbat dan in deze situatie terechtgekomen; wie hebben daar aan het begin van de gesloten ketting van oorzaak en gevolg gestaan, politiek en militair? Wat is er, kort gezegd, aan de moord op 4.000 of 7.000 moslims voorafgegaan? Het lange antwoord op die vraag is internationale geschiedenis, omdat UNPROFOR een strijdmacht van de Verenigde Naties was. Het is daarbij behalve onze geschiedenis vooral ook nog een nationaal vraagstuk, dat ons zal blijven hinderen zolang het relaas van 'ons' aandeel niet op een overtuigende manier is geschreven.

Nu heeft het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie van het kabinet het verzoek gekregen een onderzoek in te stellen “naar de gebeurtenissen voor, tijdens en na de val van Srebrenica”. In een begeleidende brief hebben de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie “strekking en reikwijdte” nader geformuleerd. In een bijlage, getiteld 'Toegang tot de bronnen', wordt een aantal beperkingen opgesomd, waarbij in feite het kabinet zijn eigen verantwoordelijkheid als medewerkende partij in het onderzoek heeft vastgelegd.

De ministers vestigen er de aandacht op dat veel informatie van andere landen en internationale organisaties weliswaar in het bezit is van Nederlandse overheidsarchieven, maar dat dit nog niet betekent dat de regering er de 'eigenaar' van is. De NAVO en de VN houden er hun eigen maatstaven over geheimhouding en vertrouwelijkheid op na. Voorzover de zeggenschap over de documenten nationaal is, schrijven de ministers dat “alleen in zeer zwaarwegende gevallen toegang tot informatie niet zal worden gegeven. Bij het voeren van gesprekken door de onderzoekers van het RIOD met personen in overheidsdienst zal de regering de betrokkenen vragen, hun medewerking te verlenen waarbij ze zullen worden ontheven van geheimhoudingsplicht”.

Dit alles klinkt redelijk. Of het RIOD in het verloop van het onderzoek op obstakels zal stuiten die men nu niet heeft voorzien, is een risico dat niet alleen deze onderneming eigen is. Maar als dat het geval zou zijn, kan ook dit zijn eigen waarde hebben, en bovendien hoeft de eerste weerstand geen onoverkomelijke te zijn. Dat het materiaal weerbarstig kan zijn, is voor een onderzoeker geen nieuws. Gegeven de urgentie, de blijvende actualiteit van het vraagstuk en de vrijwel onbeperkte toegang tot de nationale bronnen lijkt het me voor de hand te liggen dat directeur en bestuur van het RIOD hebben laten weten dat het Instituut de opdracht wil aannemen.

De Nederlandse politieke cultuur is vertrouwd met behoedzaamheid, voorzichtigheid, het gemompel binnenskamers over 'delicate zaken', waarbij het er dan op neerkomt dat in een sfeer van geruchten en achterklap de waarheid ten onder gaat, totdat na een halve eeuw, als de hoofdrolspelers voorgoed zwijgen, de archieven opengaan, waarna het nageslacht kan oordelen over recht en gelijk. Misschien is deze oude angst der overheden om zich aan koud water te branden wel de oorzaak van een trauma dat nu tot de weerstand tegen dit voorgenomen onderzoek van het RIOD leidt. Het kan trouwens ook anders worden uitgelegd: dat juist degenen die zich nu verzetten tegen wat ze als een 'half onderzoek' zien, van deze veronderstelde tekortkoming bij voorbaat gebruik maken om de beste poging tot het achterhalen van de hele waarheid te verhinderen. Het zou niet de eerste keer zijn dat die truc wordt toegepast: het zich verschuilen achter de onvolkomenheden van de tegenstander om het eigen en veel groter gebrek te maskeren. Dat is een politieke kwestie.

Behalve deze is er de wetenschappelijke. Is het per se noodzakelijk de duur van een mensenleven te wachten tot er volgens de strengste eisen van de wetenschap 'afstand kan worden genomen'? Toevallig las ik in het juist verschenen nummer van de New York Review of Books een opstel van Timothy Garten Ash over de Hongaarse Revolutie van 1956. Hij verzet zich tegen de algemene opvatting (in de zaak Srebrenica kennelijk gedeeld door prof. H.W. von der Dunk) dat alleen na jaren, door een zorgvuldige bestudering van de documenten, we werkelijk te weten kunnen komen wat er 'toen' is gebeurd. Hoeveel jaren staan daarvoor? En is er enige garantie dat de historici over een eeuw of vijf dusdanig bevrijd van belangen zullen zijn dat ze met absolute zuiverheid het verleden kunnen beschrijven? En als dat zo is: wie is er dan nog met hun zuiverheid gediend? “De waarheid is”, schrijft Garton Ash, “dat zoveel van de geschiedenis met een kleine g - het grootste deel in feite - verloren gaat” (met degenen die erbij zijn geweest). Hij geeft dan een paar treffende voorbeelden uit de dagen van de revolutionaire bewegingen in de Koude Oorlog.

Zo is het ook met Srebrenica. De misschien belangeloze volledigheid van de latere onderzoekers sluit de waarde van de eigentijdse wil tot weten niet uit. Het is zelfs niet onmogelijk dat de historici van 2096 op hun blote knieën het RIOD, het kabinet en de Tweede Kamer voor dit onderzoek zullen danken. Wordt het door een oordeel afgerond, dan des te beter. Ook het oordeel is materiaal voor de toekomstige geschiedschrijving, en iedere tijdgenoot staat het vrij het te betwijfelen of te verwerpen.

Maar er is nog een ander argument dat voor dit onderzoek pleit. 'Srebrenica' - datgene wat men er nu onder samenvat: de twijfel, het wantrouwen, de verdachtmakingen, de onzekerheden - is een zweer. Men - de media, de wetenschap, het publiek - zal blijven streven naar opheldering. De behoefte om alles te weten is niet gestild met gedeeltelijk onderzoek, individuele ondernemingen, intelligent guessing en incidentele onthullingen, hoe bewonderenswaardig die ook mogen zijn. Het voorgenomen onderzoek van het RIOD zal met de best denkbare wetenschappelijke garanties worden uitgevoerd onder de best denkbare omstandigheden. Vreemd is het als men zich daartegen verzet. Het alternatief is de zweer die blijft.