'Servië is levend voorbeeld van Orwells 1984'

In Joegoslavië (Servië en Montenegro), waar komende zondag lokale en federale parlementsverkiezingen worden gehouden, zijn vrijwel alle media in handen van de staat. Het hoogst kritische dagblad Nasa Borba is een uitzondering.

BELGRADO, 29 OKT. Wat er na de verkiezingen in Joegoslavië (Servië en Montenegro) zal veranderen? Hoofdredacteur Miomir Brkic moet hard lachen. “Wist u dan niet dat alles hier voor de komende vijftig jaar al is vastgelegd?” Dan zegt hij: “We hopen natuurlijk dat de oppositie wint. We hopen dat deze verkiezingen duidelijk maken dat verandering mogelijk is.”

Het dagblad Nasa Borba is met een oplage van 35.000 het enige serieuze dagblad in Servië dat in particuliere handen is. Advertentie-inkomsten ontbreken, de krant leeft ondermeer van giften van de Europese Unie en andere internationale organisaties.

In zijn kleine kantoortje in een overdekt winkelcentrum annex kantorencomplex in het centrum van Belgrado noemt Brkic zijn land een “levend voorbeeld” van het schrikbeeld van dictatuur zoals George Orwell dit heeft beschreven in zijn boek 1984. De Servische president Milosevic, die eind jaren tachtig het Servische nationalisme aanmoedigde en daarmee een belangrijke bijdrage leverde aan het uiteenvallen van ex-Joegoslavië, zit een oorlog in Bosnië en een economische catastrofe in zijn eigen land later, in Servië nog altijd stevig in het zadel. Hij beheerst er de media, de politie en alle grote bedrijven.

“Wij hebben geen toegang tot het distributienetwerk van de staatsmedia”, zegt Brkic. “Onze krant wordt verkocht door vrijwilligers. De politie valt hen vaak lastig. Leden van de SPS [de Socialistische partij van Milosevic, red.] is verboden met ons te spreken. We hebben één keer een advertentie gehad. Toen die drie dagen in de krant had gestaan werd ik gebeld door de directeur van het bedrijf die mij smeekte haar niet meer te plaatsen.”

Milosevic en de zijnen haten Nasa Borba, zegt Brkic. Maar het blad mocht tot dusver zijn gang gaan. “We zijn met onze kleine oplage te onbelangrijk voor hen”, vermoedt hij. Slechts vijf procent van de Serviërs is ontwikkeld èn rijk genoeg om een krant te lezen. “De meesten kijken tv en worden gemanipuleerd, dat is niet te geloven. Big brother is overal.”

Milosevic gelooft maar in één ding en dat is in macht, zegt Brkic. “Hij gelooft niet in een 'Groot Servië', hij gelooft niet in vrede, hij gelooft niet in samenwerking met de internationale gemeenschap. Al zijn beweringen zijn louter versiering van zijn doel om aan de macht te blijven. Vandaag werkt hij samen met de duivel, morgen met de engelen.”

Tien jaar Milosevic heeft Servië vernield, zegt Brkic. “De gezondheidszorg, de pensioenfondsen, het ambtelijke apparaat, niets functioneert meer. En als iets functioneert, dan is dat op basis van corruptie.” Brkic schroomt niet Milosevic openlijk van dit alles te beschuldigen. Maar in de eerste plaats houdt hij het Servische volk zelf verantwoordelijk dat, na in een oorlog te zijn betrokken, door de hyperinflatie van miljarden spaargeld te zijn beroofd en aan de rand van de economische afgrond te zijn gebracht, komende zondag naar alle waarschijnlijkheid weer op een van de drie partijen van Milosevic' regeringscoalitie gaat stemmen. Brkic: “Als de mensen het willen, is er kans op verandering. Maar wat als de mensen de hervormingen niet willen? Wat als ze bang zijn voor verandering? Wat als ze bang zijn om zelf besluiten te nemen, als ze zeggen: ik wil dat Milosevic voor mij de besluiten neemt?”

De oppositie biedt volgens Brkic een verre van ideaal alternatief: veel partijen zijn nationalistisch of hebben geen andere ambitie dan ook een deel van de staatskoek te krijgen. Servië is ziek, zegt Brkic. “Servië is als een man die met vreselijke hoofdpijn wakker is geworden na een nacht lang drinken en niet weet waar hij het moet zoeken. De afgelopen 120 jaar zijn de burgers in dit land niet anders gewend geweest dan een leider te volgen. Denkbeelden zijn altijd van bovenaf opgelegd.”

De meeste Serviërs leven volgens het principe: laten we ons maar stil houden, het kan allemaal nog erger worden, zegt Brkic. “Neem de situatie in 1993 [toen Joegoslavië werd getroffen door hyperinflatie, red.]: welke normale persoon gaat akkoord met een salaris van vijf mark per maand? De Serviërs wel. En wat zeggen ze nu? Dat het leven met 200 mark per maand vergeleken met vroeger beter is geworden. Op die manier kan het regime van Milosevic nog heel, heel lang duren.”

Hij laat twee grafieken zien met dramatisch dalende lijnen: de ontwikkeling van de lonen en de produktie in de afgelopen tien jaar. Een andere grafiek toont een stijgende lijn: de werkloosheid. “Dit gaan we vlak voor de verkiezingsdag afdrukken”, zegt hij met een brede glimlach. Wat geeft hem de moed om door te gaan? Brkic slaakt een diepe zucht en leunt achterover in zijn bureaustoel. Dan zegt hij: “Ik houd van dit werk.”