Nieuwe grenzen in verenigd Europa

Het partijcongres van de Duitse christen-democraten zette de afgelopen week een vernietigende aanval in op het Nederlandse belastingstelsel. De in Hannover verzamelde achterban van CDU/CSU ging nagenoeg unaniem akkoord met gedurfde plannen voor een radicale belastingverlaging.

Nog voor het einde van deze eeuw gaat het toptarief van de Duitse inkomstenbelasting omlaag van de huidige 53 tot 35 procent. Het laagste tarief zakt bij de oosterburen naar 20 procent. De vermogensbelasting wordt afgeschaft. De Nederlandse wetgever kan niet straffeloos berusten in dit fiscale offensief. Het verschil tussen ons toptarief van 60 procent en dat in Duitsland dreigt immers binnen luttele jaren op te lopen tot liefst 25 punten. Nederlanders met de laagste inkomens, die nu al zuchten onder een tarief van ruim 37 procent, betalen straks bijna twintig punten meer dan de laagstbetaalden ten oosten van de landsgrens. Dergelijke tariefverschillen zuigen spaargeld en economische activiteiten weg uit het land met de hoogste belastingdruk.

Vermogensbezitters worden nu al met forse tariefverschillen geconfronteerd. De zuiderburen belasten rente tegen een vast tarief van krap 14 procent, en alle dividend tegen 25 procent. De Nederlandse fiscus eist tot 60 procent. Geen wonder dat jaarlijks ongeveer vijfhonderd vermogenden naar België verhuizen. De afgelopen maanden trok deze vorm van belastingvlucht sterk de aandacht, omdat een uittocht van directeuren-grootaandeelhouders dreigt. Vaak is verhuizen evenwel niet nodig. Wie vermogen heeft kan ermee volstaan een deel van zijn besparingen naar een ander land over te hevelen en de opbrengsten frauduleus te verzwijgen. Deze vorm van belastingvlucht heeft massale vormen aangenomen. Op basis van uit het buitenland teruggekeerde biljetten van 1.000 gulden heeft De Nederlandsche Bank een schatting gemaakt van uitstaand vluchtkapitaal. Al vijf jaar geleden ging het om dertig miljard gulden, die voornamelijk is belegd in België, Luxemburg en Zwitserland. De opbrengsten over dit vluchtkapitaal bedragen waarschijnlijk meer dan twee miljard gulden per jaar. In wezen is sprake van een zwarte-sneeuwbaleffect: wat in Nederland is verdiend, levert jaarlijks zwart rendement op, dat wordt toegevoegd aan vermogen dat blijvend buiten het zicht van de vaderlandse fiscus blijft. In de regel zal van dergelijke vermogensbestanddelen en daaruit genoten inkomsten immers geen aangifte in Nederland worden gedaan, hoewel dit verplicht is. De staat waar iemand woont mag namelijk in beginsel het in de gehele wereld verdiende inkomen in de nationale belastingheffing betrekken.

Mobiel kapitaal onttrekt zich gemakkelijk aan de greep van de fiscus. Vooralsnog zullen werknemers ondanks aanzienlijke tariefverschillen niet zo snel verkassen. Zeker binnen Europa zijn de taal- en cultuurverschillen daarvoor nog te groot. Maar op wat langere duur worden tariefverschillen van 20 tot 25 punten tussen aangrenzende lidstaten van de Europese Unie onhoudbaar. De groeiende mobiliteit van produktiefactoren en individuen zal de Nederlandse belastingautoriteiten de komende tien jaar dan ook dwingen het tarief van de inkomsten- en de vermogensbelasting fors te verlagen. In navolging van België en de Scandinavische landen zullen rente en dividend vermoedelijk tegen een vast, betrekkelijk laag tarief worden belast. Vanaf volgend jaar geldt zo'n regeling al voor directeuren-grootaandeelhouders. Over dividend dat zij ontvangen van hun besloten vennootschap hoeven zij straks slechts 25 procent inkomstenbelasting te betalen, ongeacht hun overige inkomsten.

Tariefverlaging slaat uiteraard een gat in de schatkist. Uitgaande van min of meer gelijkblijvende overheidsuitgaven kan de wetgever dat gat op twee manieren stoppen. De ene mogelijkheid is het mes te zetten in bestaande aftrekposten en vrijstellingen in de inkomstenbelasting. Dit maakt de heffingsgrondslag breder, zodat de belastingopbrengst toeneemt. Langs deze weg denkt men in Duitsland een groot deel van de tariefverlaging te kunnen financieren. De andere mogelijkheid is binnen de 'belastingmix' het accent te verleggen van heffingen op kapitaal en arbeid naar consumptiebelastingen (btw en accijnzen) en naar milieuheffingen. In de laatste miljoenennota heeft het kabinet aangekondigd deze weg te willen inslaan.

De afgelopen kwart eeuw bleef het belastingpeil in Nederland gelijk. Net als in 1970 het geval was roomt de fiscus ook volgend jaar 24 cent af van elke in ons land verdiende gulden. Maar bij een gelijk belastingpeil is het aandeel van de belastingen op inkomen, winst en vermogen al drastisch verminderd. In 1997 nemen deze heffingen nog maar 46 procent van de totale opbrengst van de rijksbelastingen voor hun rekening, tegen bijna zestig procent in 1980. Deze wijziging van de 'belastingmix' suggereert dat beleidsmakers in Nederland de afgelopen vijftien jaar al eerder zijn gezwicht voor de druk van internationale belastingconcurrentie.

Vermindert de betekenis van de vermogensbelasting en wordt de progressie van de inkomstenbelasting verder afgezwakt, dan verschuift de belastingdruk van hogere naar lagere inkomensgroepen. Terwijl vermogenden en hoge inkomens hun lastendruk het meest zien dalen, staan sociale uitkeringen en subsidies blijvend onder druk. De inkomensongelijkheid neemt toe, doordat nationale overheden minder mogelijkheden houden voor herverdeling van inkomens. Elk kabinet krijgt, ongeacht zijn politieke kleur, in de nabije toekomst steeds meer te stellen met krimpende beleidsvrijheid op fiscaal en sociaal terrein. Arm Nederland zal nog wrange vruchten plukken van de Europese eenwording.