Multinationals moeten beleid per land bepalen

Multinationals kunnen niet terugvallen op een universeel stelsel van normen en waarden. Elk land vergt een eigen benadering. Volgens Jan-Coen van Elburg is het nog maar de vraag of Shell hiertoe in de praktijk in staat zal zijn. Een bijdrage in de door Shell-topman Herkströter gevraagde discussie over het gedrag van multinationale ondernemingen.

President-directeur Herkströter van de Koninklijke Shell Groep heeft een opmerkelijke toespraak gehouden voor het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken (NRC Handelsblad, 14 oktober). De toespraak is opmerkelijk te noemen daar expliciet wordt aangeduid dat de Koninklijke een aantal, achteraf bezien, flinke miskleunen heeft gemaakt.

Nigeria en de Brent Spar staan hierbij het meest helder voor ogen. De woorden van Herkströter vertegenwoordigen in de eerste plaats het hoogste gezag binnen de Shell-organisatie. In de tweede plaats lijken zij niet ingegeven door opportunisme. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het moment waarop de Brent Spar haar tocht naar de afzinkplaats staakte. Op dat moment was er immers reeds uit bedrijfseconomisch oogpunt voldoende reden om de bedrijfsfilosofie 180 graden te draaien. De nuance van een bedrijf op zo'n moment is minder overtuigend.

Momenteel wordt Shell echter niet achtervolgd door een ramp. Dit gegeven wordt het best geïllustreerd door het feit dat de Shell-top zelfs onlangs nog het verjaardagspartijtje van Greenpeace luister bijzette met een flesje wijn. Met de public relations (van beide organisaties overigens) is niets mis.

De discussie die Herkströter (her-)opent is echter interessanter dan de erkenning van fouten. De boodschap is dat een multinationaal opererend concern staat voor dilemma's waar een evenwicht moet worden gevonden tussen tegenstrijdige belangen en verwachtingen. Het hoofdredactioneel commentaar in deze krant van dinsdag 15 oktober beschrijft 'het dilemma van het zaken doen in extreme omstandigheden' als volgt. “Van de ruim honderdtachtig onafhankelijke landen in de wereld heeft er een groot aantal maatschappelijke, culturele, politieke, humanitaire of ecologische aspecten die naar de gangbare westerse normen verwerpelijk zijn. Moeten multinationale ondernemingen die per definitie in alle mogelijke landen opereren, hiermee rekening houden en hebben ze een rol te vervullen in de bevordering van veranderingen?” Een kanttekening is bij deze vraagstelling op zijn plaats. Het is moeilijk de'gangbare westerse normen' op een rij te zetten. Heeft de Engelse regering naar 'gangbare westerse normen' in ecologisch opzicht verwerpelijk gehandeld door Shell een vergunning voor het afzinken van de Brent Spar te verlenen? Volgens sommige (milieu-)groeperingen wellicht wel, maar ik neem aan dat de vraagsteller deze casus niet voor ogen had. Het is dus van belang eerst te bepalen welke de gangbare normen zijn.

Als uitgangspunt moet daarbij gelden dat deze niet noodzakelijkerwijs westers hoeven te zijn. Wat betreft de handelwijze van Shell inzake de Brent Spar zou je zeggen dat de afgegeven vergunning in een rechtsstaat de handeling in principe legitimeert. Daarmee is overigens niet gezegd dat het slim is om geen rekening te houden met de voorspelbare symboolwerking die uitgaat van het laten afzinken van een afgedankte opslagtank.

Zeker niet indien het een (gedeeltelijk) Nederlandse multinational betreft die nog eens het grootste deel van de Europese omzet in Duitsland maakt. Public Affairs kan niet alles rechtzetten in landen waar het groene geweten groot kan zijn. Voor een multinational kan dus zelfs gelden dat gangbare normen als uitgangspunt niet genoeg zijn (uit bedrijfseconomische overwegingen). Het zou mij logisch voorkomen dat een bedrijf rekening houdt met de sociale, humanitaire en ecologische aspecten van het land van vestiging. Indien men streeft naar een duurzame winstmarge van (bijvoorbeeld) 15 procent is het absoluut noodzakelijk kijk te hebben op de omgeving waarin je opereert. Hierin spelen sociale, humanitaire en ecologische factoren een belangrijke rol. Een eigen stelsel van normen kan daarbij de leidraad vormen voor bedrijfsvoering in een land waar deze anders ontbreken.

Herkströter is trots op 'de algemene beleidsuitgangspunten', de ethische normen van Shell. Echter evenals winstmarges kunnen ethische normen niet van bovenaf worden opgelegd zonder aan de noodzakelijke maatregelen te denken die nodig zijn voor realisering van de doelstellingen of normen. Multinationals moeten de ethische normen koppelen aan de bedrijfsactiviteiten in het land van operatie.

Hier zit een belangrijke bottle-neck. In tijden waarin op communicatiegebied zoveel mogelijk blijkt is het niet bepaald vanzelfsprekend - de praktijk wijst hierop - dat Shell-werknemers in (bijvoorbeeld) Nigeria van de eigen gedragscode op de hoogte zijn. Laat staan dat de gedragscode ook bekend is bij het ingehuurde personeel waarmee in de uitvoering wordt gewerkt. De kink die hier in de kabel zit, kan desastreuze gevolgen hebben op het moment dat in de praktijk met dilemma's moet worden omgegaan. De door Herkströter verfoeide eenzijdige technocratische afweging met negatieve uitkomst ligt hier op de loer.

In een publieke discussie die volgt nadat over de dilemma's een besluit is genomen, zullen altijd de nuances wegvallen. Daar waar Shell bij de marketing overal met dezelfde (kwaliteits-)produkten wil worden geïdentificeerd, zal het immer elke negatieve publiciteit met betrekking tot operationele activiteiten in het buitenland over zich heen krijgen.

Shell en het internationale bedrijfsleven in het algemeen zullen beter moeten anticiperen op de omstandigheden die men in den vreemde kan tegenkomen. Niet wachten op de ramp die komen gaat. Activiteiten in een land waar humanitaire, zowel als ecologische als sociale normen wel op een erg laag pitje staan, herbergen een groot risico zowel uit bedrijfseconomische als bedrijfsethische optiek. Van geen enkele multinational die wordt geconfronteerd met dilemma's kunnen wonderen worden verwacht. Dit is uit te leggen. Er bestaat echter een inspanningsverplichting om activiteiten (vestiging in een bepaald land) in overeenstemming te brengen met de normale humanitaire, sociale en ecologische factoren. Dat wil niet zeggen dat overal een universeel stelsel van normen op kan worden losgelaten. Specifieke situaties vragen om een specifieke toepassing van de (bij gebrek aan andere) aan jezelf opgelegde normen. Nigeria, Kenia, Engeland of Birma vragen allen om een andere benadering. Deze lijn dient vooraf (bij voorkeur op het moment van vestiging) te worden vastgesteld. De concernleiding van de betreffende regio of het betreffende land dient de algemene beleidsuitgangspunten van het hoofdkantoor te koppelen aan de bedrijfsvoering ter plaatse. De 'algemene beleidsuitgangspunten' dienen land/regio-specifiek te worden vastgelegd en toegepast. De specifieke uitgangspunten dienen kenbaar te zijn (vertaald) voor de bevolking waar de activiteiten plaatsvinden. De concernleiding kan over inhoud en toepassing van het document ter verantwoording worden geroepen, zowel door het hoofdkantoor als door belanghebbenden in de praktijk.

Het denkproces dat met de toepassing van de algemene beleidsuitgangspunten gepaard gaat, zou er in ieder geval toe moeten bijdragen dat men niet al te snel voor verrassingen komt te staan. De dilemma's zijn minder ingewikkeld indien men er van te voren over heeft moeten nadenken en communiceren; indien er discussie is geweest over tegenstrijdige verwachtingen. De discussie heeft Herkströter nu ingezet. Het is nog de vraag of Shell in de praktijk in staat is actiever met de dilemma's voor multinationals om te gaan. Enige scepsis is hierbij op zijn plaats. De lezing van Herkströter bevatte de volgende uitspraak: “Verreweg de meesten van ons leven in een redelijke mate van vrede en welvaart”. Het probleem is echter juist dat, zeker waar de dilemma's zich voordoen, dit veelal niet het geval is.