Mintz en Haenchen bewijzen alle eer aan Beethoven in zijn Vioolconcert; Monument van het beste academisme

Concert: Nederlands Kamerorkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. Shlomo Mintz, viool. Gehoord: 26/10 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 29/10 Amsterdam; 1/11 Vredenburg Utrecht.

Na de pauze staan er bij het concert van het Nederlands Kamerorkest twee dirigenten op het podium van het Amsterdamse Concertgebouw: Hartmut Haenchen en Shlomo Mintz, zijn collega van het Limburgs Symphonie Orkest, beter bekend als wereldbefaamd violist. Op het programma staat het Vioolconcert van Beethoven. Technisch is het niet bijzonder moeilijk, maar de relatieve eenvoud heeft zulk een ontzagwekkend artistiek belang dat het de absolute top is. Zelfs Jaap van Zweden heeft het nog niet in Amsterdam durven spelen.

Beethovens Vioolconcert (1806) is de 'moeder aller vioolconcerten' - het bouwt voort op Bach, de Italianen en Mozart, en legt de basis voor meer dan een eeuw vioolconcerten: van Mendelssohn tot en met Szymanovski (1933). Het Vioolconcert van Beethoven is helder en voornaam en met hoe meer eerbiedigheid die chique kwaliteiten worden uitgespeeld, hoe verheffender het is.

Haenchen en Mintz bereiken samen met het Nederlands Kamerorkest hier ruimschoots wat musici aan Beethoven en aan de muziekkunst verplicht zijn. Het zeldzaam geacheveerde vioolspel van Mintz is gebaseerd op technische zekerheid die zorgt voor een rustige uitstraling, een beheerst vibrato, weergaloos uitgevoerde parelende trillers en een briljante toonvorming, waarbij nog een duidelijk onderscheid blijft gehandhaafd tussen lyriek en zangerigheid. Dat alles leidde tot een ingetogen glanzend classicistisch bouwwerk, waarin orde, regelmaat en ornamentiek zijn verenigd tot een evenwichtig geheel van opvallend nobele allure.

Wat Haenchen hier biedt aan Beethoven-vertolking staat haaks op wat Lorin Maazel en het Symfonieorkest van de Beierse Omroep enkele dagen eerder op hetzelfde podium vertoonden in Beethovens Zevende symfonie. Bij Maazel was de houtblazersbezetting viervoudig, bij Haenchen klinkt daarvan de helft. Het geluid is kernachtiger en minder gepolijst: het 'moderne' kamerorkest klinkt in vergelijking met Maazel zelfs bijna 'authentiek'.

Beethovens Vioolconcert kreeg zo in zijn geheel een uitvoering die academisch was in de beste zin: superieur en gezaghebbend, zozeer dat het wel Apollinisch leek, goddelijk geïnspireerde muziek voor het in de Pastorale geportretteerde Arcadië en voor de Elysische velden, die Beethoven betreedt in zijn Negende symfonie. Mintz' toegift kon niets anders wezen dan een eerbetoon aan Bach, de vader van de muziek.

Voorafgaande aan dit pure classicisme klonken Mozarts Adagio en Fuga - het Adagio eerste zwaarmoedig en elegisch, de Fuga wat academisch in belerende zin - en Bartóks Divertimento, in 1939 geschreven in opdracht van Paul Sacher - een van de aardigste hoogtepunten van het muzikale neo-classicisme.