Leven met schrijvers

Lust en gratie nr. 51, driemaandeljks tijdschrift. Abonnementen ƒ 54,-, losse nummers ƒ 17,80

Lezen, wat is dat toch voor geheimzinnige verslaving, als je er tenminste verslaafd aan bent. Wie zich eenmaal heeft verslingerd aan boeken, moet steeds weer stamelend en dwingend, meeslepend en tekortschietend praten over wat er gelezen werd en waarom dat zo bijzonder is, zo waar, zo mooi, zo levensbepalend. Het literaire tijdschrift Lust en gratie heeft het in zijn laatste nummer over niets anders dan dat. 'Het boek, steeds opnieuw' heet dat nummer dan ook. Veertien schrijfsters leggen uit hoe verliefd ze werden van Anna Blaman, of de wereld met de onbuigzame blik van de puberteit onder ogen leerden zien dankzij Hugo Claus' Een bruid in de morgen: “Hij was het die me de geniepige paardesprong voordeed toen ik nog jong en onbedorven was”, schrijft Hermine de Graaf.

Het zijn uiteenlopende antwoorden die de schrijfsters geven op de vraag welke van alle boeken het meest voor ze betekenden. Menigeen zie je worstelen met een berg mogelijkheden, met allerlei onmisbare boeken om ten slotte met veel moeite er niet meer dan drie te noemen, wat blijkbaar een voorwaarde van de redactie was. Terecht, want wat schieten we op met een lijst van tien titels.

De aardigste stukken zijn meestal die, die één voorkeur of hartstocht eens rustig uitleggen. En wat is het prettig om iemand begeesterd over een boek te lezen schrijven als het niet om een recensie gaat. Daphne Meijer bij voorbeeld weet haar voorkeur voor Margaret Drabble's laatste drie romans die samen een soort losse trilogie vormen nieuwsgierig makend op te schrijven, misschien nog het meest door een echt damesdetail dat ze navertelt uit Drabble's The radiant way: “dan verspringt het perspectief naar Alix Bowen (de linkse lerares), die zich vele kilometers verderop in Londen afvraagt of ze nu die dure bruine crème op haar gezicht zal smeren of niet. Ze doet het wel.”

Waarom doet zo'n overweginkje meteen verlangen naar toch minstens de hele bladzijde eromheen? Wellicht omdat er allerlei vragen opgeroepen worden. Wat voor overwegingen had deze Alix Bowen om bruine crème te kopen en nog wel dure? En wat pleit er volgens haar tegen het gebruik van die crème? Onbelangrijk misschien, maar een schrijfster die iets echts te beweren heeft en zich er intussen niet te goed voor voelt om haar heldinnen ook interesse te laten vertonen voor frivoliteiten en onzinnig getob, heeft meteen iets sympathieks.

Opvallend weinig van de aangezochte schrijfsters kiezen voor poëzie. Ethel Portnoy wel, zij belijdt haar liefde voor Martialis en Juvenalis, curieus genoeg zonder ook maar een versregeltje van een van beiden te citeren. Het gaat haar zo te lezen ook niet om versregels, het gaat haar om de inhoud van wat M&J schrijven, om de charmes of de strengheid van hun persoonlijkheden zoals zij die door de tekst waarneemt en om het merkwaardige fenomeen van hun 'gewetenloosheid'.

Christine D'Haen leeft natuurlijk ook met dichters - met welke schrijvers leeft zij niet? - maar de enige die zich op volle kracht op de poëzie stort is Ida Boelhouwer, zelf dichteres, die ooit 'een stem uit de hemel' leek te vernemen in de gedichten van J.C. van Schagen en meer in het bijzonder in zijn bundel Ik ga maar en ben.

Ze citeert een beetje bizar, vaag dreigend gedichtje over een beer in de nacht: zoëven was hij op zolder/ je kon zijn zolen zachtjes horen gaan/ daarna kwam dat op de trap/ ik zal nu de andere deuren ook maar afdraaien/ ik weet niet of hij wel om sloten geeft/ maar het is toch beter/ het is een grote zwarte/ hij komt nu nog niet. Alweer zo'n fragmentje vol aantrekkelijke details ('ik weet niet of hij wel om sloten geeft' of 'het is een grote zwarte hij komt nu nog niet'). Citeren is een kunst. De andere citaten van Van Schagen zijn slap, maar dit gedichtje doet verlangen naar 'Het boek, steeds opnieuw'.