Johns citeert Duchamp en Picasso, maar vooral ook zichzelf

Tentoonstelling: Jasper Johns: A Retrospective in het Museum of Modern Art, 11 West 53rd Street, New York. T/m 21/1. Catalogus $ 65,-, paperback $ 32,50.

Sinds de grote Matisse-tentoonstelling vier jaar geleden, is er in New York niets te zien geweest dat zo plezierig is als het overzicht van Jasper Johns' werk, vorige week geopend in het Museum of Modern Art. Het omvat 225 schilderijen, tekeningen, prenten en sculpturen, vanaf zijn eerste Amerikaanse vlag 'Flag' (1954-55) tot niet eerder tentoongesteld recent werk. In maart volgend jaar reist ditzelfde overzicht naar het Ludwig Museum in Keulen.

Toch is Johns' oeuvre, net zo min als dat van Matisse 'leunstoelkunst' die alleen maar een passief genoegen verschaft. Integendeel, Johns is een choreograaf, die tot dansen aanzet. Niet alleen door het sterk ritmische karakter van ieder werk afzonderlijk, maar vooral door zijn gewoonte zichzelf te citeren, herhalingen te herhalen en variaties te variëren. Men krijgt de neiging zich voortdurend heen en weer te bewegen tussen de verschillende werken en zalen, zelfs tussen de verdiepingen van het museum.

Jasper Johns, in 1930 in South Carolina geboren, vestigde zich in 1954, na een korte diensttijd in New York. Hij besloot als kunstenaar dingen te maken die 'met niets anders vergeleken konden worden'. Zijn eerste solotentoonstelling in 1958 bij Leo Castelli, was een sensatie en sindsdien wordt hij naast Jackson Pollock beschouwd als de grootste en invloedrijkste kunstenaar die Amerika heeft voortgebracht.

Als 'vader' van de pop-art, het minimalisme en het conceptualisme, verschaft zijn iconografie werk aan een leger van kunsthistorische detectives. Hij begon met alledaagse onderwerpen, 'what the mind already knows', vaak ingegeven door toeval. Hij droomde bijvoorbeeld in 1954 dat hij een vlag schilderde; hij zag een patroon van 'crosshatchings' (kruisarceringen) op een voorbijrijdende auto en 'flagstones' (meerhoekige tuintegels) op een muur in Harlem. Een bezoek aan Madame Tussaud bracht hem op het idee om afgietsels van lichaamsdelen in was te maken.

Daarnaast citeert hij ook uit de kunstgeschiedenis. Behalve vooral Duchamp en Picasso zijn in zijn werk terug te vinden: Magritte, Munch, Tantristische kunst, Cézanne, de Amerikaanse ceramist George Ohr.

Zijn hoofdthema is de manipulatie van het kijken. Zijn modus operandi: 'Take something. Do something to it. Do something else to it'. Een vorm of object wordt voortdurend op een nieuwe manier belicht, in verschillende materialen. Een echte vork met een getekende schaduw wordt een getekende vork. Een beeld wordt spiegelbeeld. Namen van kleuren dekken andere kleuren. De uitvoering is virtuoos. Hier is duidelijk iemand met groot plezier aan het werk. Hij heeft een onovertroffen beheersing van zijn materialen en hij blinkt vooral uit in de 'encaustiek'-techniek, het schilderen met pigment en was, die warm dient te worden opgebracht.

Vaak wordt gewezen op de inherente seksualiteit van het werk van Johns, die over zijn privé-leven buitengewoon gesloten is. Het zit vol met letterlijke verwijzingen: harige ballen, de afdruk van een penis. Maar het slaat vooral op de sensualiteit van zijn oppervlaktes, de variaties in verfstreken, krassen, drips, 'slordige' details, die een verhouding suggereren tussen de kunstenaar als liefkozende minnaar en zijn doek als de huid van een geliefde.

De tentoonstelling is chronologisch ingericht, en kan grofweg in drie delen worden verdeeld. Het eerste gedeelte omvat onder veel meer de vlaggen, cijfers, letters, variaties op 'red', 'yellow' en 'blue' en landkaarten. Hier vindt men talloze hoogtepunten, zoals het sombere 'Diver' (1963) en een Witte Vlag (1955) uit Johns' eigen collectie.

Het spannendst is zijn zogenaamde 'Abstracte Periode'. Misschien door de beperking van zijn thema, wordt zijn werkwijze hier het meest duidelijk. Tien jaar lang, vanaf circa 1972, maakte hij bijna uitsluitend gebruik van het motief van de 'crosshatchings' in schilderijen, tekeningen en prenten. Deze spiegelen elkaar of zijn elkaars echo, variëren en becommentariëren elkaar en hebben zelf ook weer nakomelingen.

Vanaf het begin van de jaren tachtig tot en met zijn meest recente werk is er sprake van een ommekeer, waarin Johns zich zou hebben ontpopt als een 'herboren symbolist'. Hij introduceert nieuwe motieven, waarvan vooral opvallen een surrealistisch, plat gezicht met twee cartoonogen (overgenomen van Picasso's 'Woman in Straw Hat' uit 1936), grof gearceerde puzzelvormen (ontleend aan overtrekkingen van onder meer Cézannes Baders), autobiografische elementen als een (herinnerde) plattegrond van zijn grootvaders huis en familiefoto's.

De kleuren zijn soms uitgesproken lelijk en de tekenstijl heeft een imitatie-kinderlijkheid. Deze recente werken zijn afstandelijker en meer cerebraal. Doordat het werk het karakter krijgt van een rebus, wordt het links en rechts psychoanalyserend hineininterpretieren hier door Johns zelf in de hand gewerkt.

Om terug te komen op het beeld van kunstenaar en doek als seksuele partners: vanaf het begin van de jaren tachtig lijkt er een disharmonie te zijn ontstaan tussen minnaar en geliefde. De minnaar is ouder en treuriger geworden (het gebruik van een vorm gebaseerd op een man die aan een gruwelijke huidziekte lijdt uit Grunenwalds Altaarstuk, valt samen met het begin van het aidstijdperk).

Maar misschien is die disharmonie maar schijn, en moet men vanuit een heel nieuwe hoek naar dit recente werk leren kijken. Want voor Jasper Johns geldt in het bijzonder: hoe meer je kijkt, hoe meer er te zien is.