Invloed bonden op klassengrootte is gering

Inderdaad roept de voortvarendheid waarmee de politiek zich op de klassenverkleining in het basisonderwijs werpt, vragen op, zoals in het hoofdartikel van NRC Handelsblad van 24 oktober staat. Het verschijnsel dat zich, zowel in de media als op het Binnenhof op de meest onverwachte momenten tot een hype ontwikkelt, is bekend.

Allerlei toevallige omstandigheden spelen daarbij een rol, deze keer krachtig gesteund door het effect van een nu al enkele jaren durende pressie uit de samenleving om te investeren in het onderwijs. OESO-rapporten over de achterstand van onderwijsuitgaven ten opzichte van overig Europa versterkten het effect.

De antwoorden van de commentator op de door hemzelf gestelde vragen zouden kunnen verleiden tot een uitgebreide reactie. Ik weersta de verleiding ten aanzien van de meeste punten. De lezers kunnen zelf wel bedenken dat je geen kleinere klassen kunt maken door een aantal geplande bezuinigingen te voorkomen. Aan PvdA-fractievoorzitter Wallage laat ik graag het eenvoudige karwei over om de opmerking te pareren over zijn “standaardbeleid” van schaalvergroting van klassen. De veronderstelde relatie tussen het grote aantal wachtgelders en de grote klassen is vorige week, samen met andere mythes over de ontslaguitkeringen in een megarapport afdoende weerlegd. Ik bezwijk zelfs niet voor de verlokkingen van een repliek op de bewering dat de onderwijsbonden zich verzet hebben tegen minder leerlingen per klas. Wie zich verdedigt tegen zo'n ongerijmde beschuldiging, roept het bonte-koe-met-vlekje-effect over zich af.

Een andere zaak is de “onevenredige invloed” van de bonden. Die veronderstelling verdient een serieuze reactie. Klassengrootte is een kwestie van onderwijskundig beleid. De invloed van de bonden daarop is de laatste tien jaar sterk afgenomen. Het onderwijskundig overleg met het ministerie is veel losser gestructureerd dan vroeger, toen de koepelorganisaties van de vier richtingen een soort onderwijsparlement vormden.

Voorts is er veel beleid gedecentraliseerd. De onderwijsbonden zijn er niet in geslaagd om in de regio's en sectoren een alternatief forum tot stand te brengen. Wie hun invloed te groot vond, zou zich daarop kunnen verheugen. Het is echter maar de vraag of de recente ontwikkelingen zo gunstig zijn. Ze dringen de bonden in de rol van 'CAO-fabrieken', met eenzijdige belangstelling voor de arbeidsvoorwaarden.

Alle grote onderwijsbonden proberen dat te voorkomen, soms tegen de stroom van de achterban in. Na de jaren van bij de marktsector achterlopende CAO-resultaten is de druk tamelijk groot om te stoppen met het traditionele 'tweepotige beleid', waarin de bonden streven naar evenwicht tussen het onderwijsinhoudelijke en het arbeidsvoorwaardelijke deel.

Tot nu toe is die druk weerstaan. Een meerderheid van het onderwijspersoneel acht goed onderwijs en goede onderwijsvoorzieningen minstens even belangrijk als een redelijk inkomen. Uit de aard van het arbeidsvoorwaardelijke overleg vloeit overigens voort dat de bonden nooit voor een directe keus tussen het een of het ander worden gesteld.