Grote Namen Trio speelt met pathos

Concert: Bruno Canino (piano), Sasjko Gavrilov (viool), Siegfried Palm (cello). Gehoord: 28/10, Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 30/10.

De een speelde met Severino Gazzelloni, Salvatore Accardo, Itzak Perlmann en Cathy Berberian, de ander bracht werken in première van Ligeti, Kagel en Schnittke, voor de derde schreven Blacher, Feldman, Kagel, Ligeti, Penderecki en Xenakis stukken die repertoire maakten. Pianist Bruno Canino (1935), violist Sasjko Gavrilov (1929) en cellist Siegfried Palm (1927) vormen samen een trio van Grote Namen.

Wat zij spelen doet er daarom voor de meeste bezoekers waarschijnlijk minder toe dan hóe zij spelen. Het programma van de twee concerten die het trio deze week in het Amsterdamse Concertgebouw geeft, is dan ook een beetje een ratjetoe: twee stukken van Hans Werner Henze worden geschraagd door het Pianotrio KV 502 van Mozart en het Pianotrio opus 110 van Schumann.

De balans van het trio is evenwichtig, de toonvorming is bij vlagen achteloos superbe en de melodielijnen in de verschillende partijen ademen aangenaam gelijktijdig. Meestal wordt er op het scherpst van de snede gespeeld, zelden zijn de heren op plichtmatig spel te betrappen. Een deraillement komt een enkele keer akelig dichtbij (Larghetto in het Trio van Mozart).

Vaker, en met name in het Derde trio van Schumann, wordt op momenten zeer geïnspireerd gemusiceerd. De drie partijen bereiken in dit werk een hoge graad van zelfstandigheid die toch in een hermetisch geheel worden gesloten - de formule van een goede compositie, en dit Grote Namen Trio weet daar raad mee. De heren spelen met veel pathos. Over de schouders van Mozart wordt de wollen deken van de romantiek gelegd. Bij Canino, Gavrilov en Palm klinkt Mozart als Brahms, zoals zelfs Schumann een beetje als Brahms klinkt.

Henze klinkt bij hen als Henze - en soms een beetje als Schönberg of Messiaen, maar dat ligt aan de componist. De Kammersonate (1948) is geschreven volgens een basale twaalftoontechniek. Maar de reeks klinkt straight, zonder dat Schönbergiaanse bewerkingsvormen als omkering en spiegeling worden toegepast. Het tweede deel Dolce con tenerezza doet denken aan Messiaens enkele jaren daarvoor gecomponeerde Quatuor pour la fin du temps: blokken akkoorden, een verstilde sfeer en lange vocalises. Het is een jeugdwerk met ankers in het verleden, terwijl duidelijk naar een nieuwe koers wordt gestuurd.

Het gist en het borrelt, de toekomst ligt erin nog openlijk te lonken. Het is me daarom liever dan het veel lyrischer Adagio adagio dat Henze enkele jaren geleden nog schreef. Deze serenade is een beetje een bedaagd stuk met onorganische tegendraadse passages.