Geachte heer Borst

U wijdt aan mijn stukje in de NRC van 22 oktober jongstleden een open brief in het Algemeen Dagblad van 25 oktober, waarin u mij eraan herinnert dat ik Gascoigne een 'gestoorde geest met het IQ van een kikkervisje' heb genoemd. Ik aarzel of ik die laatste vergelijking moet terugnemen.

Ik weet namelijk niet absoluut zeker hoe het met het IQ van dat kleine wezentje is gesteld. Ik ben blij dat u grote nadruk legt op wat u het mediacircus noemt waaronder de sterren van vandaag te lijden hebben. Pelé, Di Stefano en Bobby Charlton zouden een redelijke mate van privacy kunnen hebben genoten, maar aan Gascoigne, Maradona en Romario zou dat genoegen ontzegd zijn. Natuurlijk is het waar dat de huidige beroemdheden voortdurend worden gevolgd, in barre gevallen wellicht tot in hun slaapvertrekken toe. Ik houd echter staande dat in het rijtje van drie (Pelé, Di Stefano en Charlton) alleen de laatste buiten te indringende publiciteit is gebleven. Pelé is in zijn spelerstijd eveneens achtervolgd door de media en Di Stefano is zelfs, in Zuid-Amerika, ontvoerd geweest. Mijn voorzichtige conclusie is dat zij er beter tegen konden dan het 'moderne' rijtje van drie.

U haast zich enkele frappante dronkaards te noemen uit vervlogen tijden. Het is verre van mij om de lezers te willen doen geloven dat het destijds allemaal brave Hendriken waren. George Best heeft een groot deel van zijn leven aan drank ten onder zien gaan en Garrincha heeft zich doodgedronken. Weet u zeker dat hun ondergang veroorzaakt is door de media? U bent trouwens niet zeker van uw feiten. Kocsis, de Hongaar, heeft geen zelfmoord gepleegd als uitvloeisel van een walgelijke levenswijze, maar hij is in Barcelona van het balkon van zijn huis gesprongen nadat er een ongeneeslijke vorm van kanker bij hem was geconstateerd.

Dan Puskas. Ik weet niet of die de dag voor de interland Engeland-Hongarije in 1953 in kennelijke staat is geweest. Het lijkt me sterk, maar de mens is zwak. Ik weet wel dat hij die wedstrijd formidabel speelde en dat zijn carrière nog heel lang op hoog niveau is doorgegaan. Verder is het jammer dat u mij wilt verbieden een andere mening te hebben over de affaire rond Bobby Moore tijdens het wereldkampioenschap van 1970 in Mexico. Ik geloof namelijk nog steeds dat hij er is ingetuind bij die zogenaamde diefstal van een kostbaar collier of iets dergelijks. Nee, beste Hugo, de helden van vroeger werden niet gespaard door de media. Zij hadden er ook last van. Maar velen konden er beter tegen. Net als u heb ik ook een hekel aan die grijze muizen, maar als ik er Gascoigne's voor terugkrijg, dan pas ik.

Als ik met ronde woorden betreur dat het bij PSV-Feyenoord ging zoals het ging, en u komt dan met Israel en Laseroms aanzetten, dan waren dat bikkelharde spelers, die soms over de schreef gingen. Kleurloos waren ze trouwens zeker niet! En vechtersbazen van het type Fräser waren ze evenmin. U vermoedt dat ik een selectief geheugen heb. Dat is zeker waar. Maar hetzelfde geldt voor u en ik denk voor iedereen. De stelling is dat er 25 jaar geleden veel smeriger werd gespeeld dan nu. We hebben het dan over het begin van de jaren zeventig. Het is heel aardig van u dat u erbij schrijft dat ik toen in de kracht van mijn leven was. Geestelijk of lichamelijk, dat laat u in het midden. Terwijl u in uw laatste alinea er fijntjes op wijst dat mijn beste jaren voorbij zijn, meldt u in het begin van uw brief dat u teleurgesteld bent in de nestor van de sportjournalistiek. Nog afgezien van het feit dat iemand die lang meegaat op een gegeven moment nestor wordt, hetgeen geen enkele verdienste inhoudt behalve doorgaan met ademhalen, is het niet redelijk in dezelfde brief van iemand iets extra's te verwachten wegens zijn fikse leeftijd, en hem een eindje verder onder de neus te wrijven dat hij een oude sukkel begint te worden.

Kom, beste Hugo - nu had ik je willen complimenteren met je aandeel in het tv-programma met en over Marco van Basten en nu doe je dit. Zo zak je weer een paar plaatsen op mijn selectieve ranglijstje.

Vriendelijk gegroet

Herman Kuiphof