De tragiek van de emigrant

De fraaie documentaire Uncle Frank van Hans Heijnen, gisteravond door de NPS uitgezonden, zal bij menige Nederlander een snaar hebben beroerd. Velen hebben zo iemand in de familie: een verre oom (soms met tante) die halverwege de jaren vijftig is geëmigreerd.

Af en toe zie je ze op rommelige familiebijeenkomsten, waar de emigranten vooral hun onbegrip tonen over het sociale stelsel van Nederland en wij met de laatste moordcijfers van New York pareren, maar zelden kom je te weten hoe ze het nu eigenlijk maken in hun nieuwe vaderland. Sommigen komen steeds vaker naar Nederland, is me wel eens opgevallen, en ook laten ze soms blijken dat ze op hun oude dag misschien wel definitief naar Nederland waren teruggekeerd, als ze niet hun kinderen zouden moeten achterlaten.

Ze hebben het materieel goed, maar ze missen na veertig jaar nog steeds hun familie, ook al is die voor een deel - in hun pijnlijke afwezigheid - allang afgestorven. Een geëmigreerd echtpaar heeft me eens verteld dat ze omstreeks kerstmis samen een soort nostalgisch spel speelden door elkaar te vragen: waar zullen we nu eens naartoe gaan - naar jouw of naar mijn familie?

Impliciet gaat ook Uncle Frank over de tragiek van de emigrant. Ze maken het ogenschijnlijk goed, de oom Frans en tante Tiny van Hans Heijnen. Hij heeft een bloeiend tandtechnisch bedrijfje opgezet in Californië, en hij mag zich eindelijk de bezitter van een heuse Cadillac noemen. Maar van echte integratie in de Amerikaanse samenleving blijkt geen sprake te zijn. Hun kennissen zijn, evenals zij, louter rasechte Zuidlimburgers en ze spreken na veertig jaar nog steeds het Limburgse dialect met elkaar op kaartavonden waar vooral getoept wordt.

Dat taalgebruik levert een uniek mengelmoesje op met zinnen als: “Ich bin retired” en “Had gee flink gepartied?” Tante Tiny werkt nog altijd met Nederlandse 'puzzelbeukskes', want 'die Engelse hebben zoveul different menings'. Soms leiden die taalvermengingen tot misverstanden, zoals die keer dat een Amerikaanse vrouw aan een Limburgse had gevraagd: “Do you like the meat of the pig?” “Nee”, had de Limburgse geantwoord, “ik heb al vier kinderen, ik heb genoeg van de pik”.

Er wordt ook nog veel Toon Hermans gekeken in die kringen, en steeds weer hoor je er Jo Ehrens dat prachtig-weemoedige ''Limburg allein' zingen.

Als je al deze facetten op een rij zet, is het net alsof Heijnen, zelf ook Limburger, een van heimwee doordrenkt werkje heeft vervaardigd. Daarvoor is zijn stijl echter veel te subtiel. Hij is een buitengewoon getalenteerd documentarist, zoals enkele weken geleden al bleek uit zijn door de VPRO uitgezonden sfeertekening van het Limburgse dorpje Itteren: De waterwolf van Itteren.

Heijnen portretteert mensen op een heel fijnzinnige, onnadrukkelijke manier; ze krijgen gestalte in hun eigen woorden en handelingen. Daarbij is hij ook een mooifilmer in de goede zin van het woord: sommige van zijn beelden blijven je als een soort visuele poëzie nog lang bij, zoals de momenten waarop oom Frans en tante Tiny door het Californische landschap rijden.

Zijn films bevatten ook de nodige momenten van humor. In Uncle Frank komt een prachtige oude man voor, een weduwnaar genaamd Chrit, die enkele ijzersterke levenswijsheden voor zijn rekening neemt. “Ik heb een elektrische deken”, zegt hij ergens, “maar het is toch wat anders als je vrouw naast je ligt. Mijn vader zei altijd: alles went, zelfs hangen, maar je gaat er wel aan dood.”

Tegen het einde van de film beziet oom Frans zijn tweede vaderland met tevredenheid. “Er zijn alle mogelijke mogelijkheden in Amerika. Je bent daar part van. Dat is wat ik like aan Amerika.”

Maar toen het Nederlands elftal in Engeland speelde, zat hij geobsedeerd voor de buis. Jarenlang had hij de Nederlandse voetbaluitslagen op de korte golf gevolgd. Toen dat niet meer lukte, heeft het hem nog lang dwarsgezeten. Alles went, maar toch.