Albanië krijgt eindelijk het goud van koning Zog

LONDEN, 29 OKT. Met de symbolische overdracht van anderhalve ton goud hebben Groot-Brittannië en Albanië vandaag een eind gemaakt aan een diplomatieke impasse die vijftig jaar heeft geduurd.

Het ongemunte goud, genoemd naar koning Zog, Albanië's laatste vorst, was tijdens de Tweede Wereldoorlog in Italiaans-Duitse handen gevallen. De Britse centrale bank, de Bank of England, had zich na de Duitse capitulatie tijdelijk over die voorraad ontfermd. Maar tot teruggaaf was het nooit gekomen nadat twee Britse torpedojagers in 1946 voor de kust van Albanië op mijnen liepen en vergingen. Daarbij kwamen 44 officieren en matrozen om het leven.

Albanië heeft aansprakelijkheid daarvoor altijd ontkend. Volgens Tirana waren de mijnen gelegd door de Joegoslavische marine. Maar het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag gaf Groot-Brittannië in 1951 gelijk. Albanië moest dertien miljoen pond schadevergoeding betalen.

Toen Tirana dat weigerde, legde Londen beslag op de Albanese goudvoorraad bij de Bank of England. Dat heeft de betrekkingen tussen beide landen veertig jaar verziekt. Pas na beëindiging van de Koude Oorlog, nadat ook het communistisch regiem in Tirana was gevallen, kwamen Groot-Brittannië en Albanië in 1991 tot een principe-overeenkomst. De Albanese regering zou Londen een schadevergoeding betalen en kreeg in ruil daarvoor het goud terug.

Uitwerking van dat akkoord heeft vijf jaar in beslag genomen. Heet hangijzer was de hoogte van de compensatie die moest worden betaald. De schadevergoeding die 45 jaar geleden in Den Haag was toegekend overtrof de waarde van het goud. Vandaag hebben vertegenwoordigers van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken en functionarissen van de Albanese centrale bank tijdens een besloten bijeenkomst waardepapieren uitgewisseld. De Albanezen kregen een tegoedbon voor twaalf miljoen pond aan goud. De Britten ontvingen een betalingsgarantie voor 1,3 miljoen pond aan compensatie.