Zal Nuis nu lukken wat eerder slechts de Duitsers in de oorlog voor elkaar kregen?; Orkesten tegen verplicht Nederlands quotum

De Nederlandse muziek had dit weekeinde een drukke agenda. In Den Haag klonk Een Indisch requiem van Peter Schat voor het eerst, in Eindhoven vond de slotmanifestatie plaats van de Tromp Muziek Biënnale, waarbij ook Nederlands werk op het programma stond en zondag werd in het Amsterdamse Frascati muziek gespeeld van Martijn Padding en in het Utrechtse Vredenburg van Louis Andriessen en Guus Janssen.

Wie in deze opsomming een bewijs ziet dat het goed gaat met de muziek van Nederlandse componisten, heeft het mis. Uit cijfers van Donemus, het documentatiecentrum voor Nederlandse muziek, blijkt dat bij de orkesten en ensembles het aandeel vaderlandse partituren gemiddeld slechts zo'n vijf procent bedraagt. Te weinig vindt Donemus.

Te weinig ook vindt staatssecretaris Nuis van OCW. In zijn Cultuurnota verplicht hij daarom de Nederlandse muziekgezelschappen ten minste zeven procent muziek van eigen bodem te spelen. Minstens drie procent hiervan moet werk zijn van levende Nederlandse componisten. “Ik behoud mij het recht voor uw budget bij te stellen indien niet aan deze norm wordt voldaan. Voorshands denk ik aan een korting van 5 promille van het rijkssubsidie voor elk procent beneden de grens van zeven, respectievelijk drie”, schreef hij in de subsidiebeschikkingen voor de orkesten.

Door het spelen van Nederlandse muziek als bindende voorwaarde in de beschikkingen op te nemen, gaat de staatssecretaris in tegen het destijds nog door de Raad voor de Kunst gegeven advies. Hans van Beers, directeur van de VPRO en voorzitter van de afdeling muziek en muziektheater: “Wij hebben er juist voor gepleit, volgens goed pedagogisch principe uit de jaren zestig, de orkesten die avontuurlijk programmeren te belonen in plaats van te straffen.”

Verreweg de meeste betrokkenen wijzen de dwangmaatregel resoluut af. Kees Hillen, artistiek directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, dat vorig seizoen amper boven de nul procent uitkwam, vindt de regeling iets 'onaangenaams opleggerigs' hebben. Hartmut Haenchen, chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch, dat met een gemiddelde van 15 procent ver boven de Nuis-norm komt, doet de regeling sterk denken aan de voormalige DDR.

Peter Smids, directeur van Muziekcentrum Vredenburg waar jaarlijks de Nederlandse Muziekdagen worden gehouden, vindt de regeling wonderlijk. “Het geld neemt jaarlijks af en de bemoeizucht toe. Als er nou een beetje royaal werd gesubsidieerd, maar er zijn plannen om nóg meer van die krappe budgetten af te halen. Moderne muziek is toch al geen blockbuster. Ieder orkest moet zijn eigen pad hakken in de jungle, en niet een soort marsroute meekrijgen.”

Al eerder werd van overheidswege Nederlandse muziek verplicht gesteld. In de jaren dertig werd veelvuldig geklaagd dat muziek van eigen bodem niet de aandacht kreeg die zij verdiende. Als het aan het toenmalige Genootschap van Nederlandse Componisten (Geneco) had gelegen zou van alle concerten liefst eenderde deel Nederlands zijn. De componisten kregen bijval uit onverwachte hoek: hun hartenkreet werd verhoord door de Duitse bezetter. In het voorjaar van 1941 legde het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten dirigenten en orkesten de verplichting op dat 20 tot 30 procent van alle muziek van Nederlandse origine zou zijn, uitgezonderd de concerten rondom een bepaalde componist, zo schrijft Pauline Micheels in de dissertatie Muziek in de schaduw van het Derde Rijk.

De verplichting verdween na de bevrijding van de politieke agenda, en duikt nu, na een halve eeuw, weer op. Componist Theo Loevendie, tot voor kort een van de drijvende krachten achter het Geneco, ziet wel wat in de regeling: “Wat ik hoog in het vaandel heb, is de vrijheid van de artistieke leiding van een orkest om naar eigen inzicht beleid te maken. Maar het zijn witte raven, de mensen die werkelijk zijn ingevoerd in de hedendaagse muziek, en dus ook in de moderne Nederlandse muziek. Ik vind dat het daarom maar eens zo geprobeerd moet worden - met alle twijfel van dien. Zo'n regeling vergroot de expertise natuurlijk niet, maar het is misschien een stimulans om hiermee bezig te gaan.”

Donemus, die van de staatssecretaris 50.000 gulden krijgt om ideeën voor de programmering van Nederlands muziek te ontwikkelen, meent dat de expertise door de orkesten moet worden ingehuurd. Donemus is een voorstander van de regeling omdat een sterke programmering van Nederlandse muziek beter is dan het leunen op beroemde dirigenten en solisten. Bovendien wil Donemus vooral Nederlandse muziek van na 1960 uitgevoerd zien. Volgens directeur Bèr Deuss hoeft zo'n regeling geen extra administratieve rompslomp met zich te brengen. In minuten en in absolute aantallen wordt toch al bijgehouden wat de orkesten spelen.

In de concertzalen hoeft daarom vooralsnog geen stoel te worden vrijgehouden voor een muziekpolitie die erop toeziet dat de Nuis-norm wordt nageleefd. Plaats is er trouwens genoeg bij evenementen met Nederlandse muziek, zo werd onlangs nog eens schrijnend duidelijk door het weinige publiek dat afkwam op de double bill Kind en Kraai en Aap verslaat de Knekelgeest van Peter Schat, waarmee de Nationale Reisopera op dit moment door ons land toert. Gemiddeld zaten er 150 bezoekers in de zaal.

Door Nederlandse muziek verplicht te stellen zal dit niet veel beter worden. Pay-Uun Hiu, artistiek coördinator van het Centrum Nederlandse Muziek, vreest dat “iedereen tegen heug en meug, knauwend en knarsend gaat spelen, en over drie jaar verdwijnt dan na een mislukt experiment meteen ook alles wat goed en de moeite van het stimuleren waard is in de grote rommelbak van tegenzin die zo is opgebouwd.”

Die tegenzin is ook te proeven in het commentaar op de nota van het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten (CNO). Hier wordt in ferme bewoordingen van leer getrokken tegen de voorstellen van Nuis: “Nederlandse muziek wordt officieel slecht nieuws”, heet het. Rudolf Wolfensberger, directeur van het CNO: “God zou zijn bestaan kunnen bewijzen door deze regeling te verhoeden. In Argentinië bestaat de verplichting ieder concert te beginnen met een Argentijns stuk. Dat doet men braaf, maar de meeste bezoekers komen pas daarna binnen. Misschien zijn dat hele goede stukken, maar ze zijn gedoemd omdat ze in die verplichte regeling zitten. Je moet omstandigheden creëren dat het een feestje wordt. Nieuwe muziek is leuk, dat is de boodschap. Nederlandse muziek is leuk, maar zij moet worden gepresenteerd in een zinvolle samenhang.”

Donemus verwijt de Nederlandse orkesten echter de afgelopen twintig jaar geen enkel samenhangend plan voor repertoire-ontwikkeling te hebben geformuleerd.

Het gebrek aan liefde voor de eigen muziek is, volgens de Amerikaanse musicologe Helen Metzelaar, ooit lid van de toenmalige Raad van de Kunst, eerder regel dan uitzondering. “Het is in de hele westerse wereld normaal dat je het grote klassieke repertoire uitvoert. De eigen muziek uit de negentiende eeuw blijft daardoor in de la liggen.” Metzelaar vindt het eenzijdig alleen Nederlandse muziek positief te discrimineren. “Beter is een stimuleringsbeleid voor minderheden, zodat ook de muziek van vrouwelijke componisten en allochtone musici aandacht krijgt.”

Wolfensberger van het CNO meent dat de regeling niet consequent is omdat ensembles als het Orkest van de Achttiende Eeuw of de Nederlandse Bach Vereniging geen verplichting krijgen opgelegd. De vraag is bovendien of hiermee niet het eind zoek is, of men straks niet jonge componisten wil bevoordelen boven de oudere. Hillen van het Rotterdams Philharmonisch vraagt zich cynisch af er ook quota komen voor Nederlandse solisten of orkestleden. En hoe gaat dat straks op Europees niveau? Voor Nuis zijn de problemen nog niet voorbij, ook niet als de Tweede Kamer volgende maand met zijn voorstel instemt.