Sorgdrager acht OM in Haarlem 'zorgvuldig'

DEN HAAG, 28 OKT. Minister Sorgdrager (Justitie) deelt de conclusie van procureur-generaal Ficq dat het Haarlemse openbaar ministerie “bovengemiddeld zorgvuldig” toezicht hield op de criminele inlichtingendienst (CID) Kennemerland.

Dat schrijft Sorgdrager vandaag in een brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het onderzoek van Ficq naar het functioneren van OM-leden tijdens de IRT-affaire.

Het OM in Haarlem was ten tijde van de affaire niet verantwoordelijk voor alle werkzaamheden van de criminele inlichtingendienst van de politie Kennemerland, zo luidde de conclusie van Ficq. Sorgdrager neemt deze conclusie over.

Minister Sorgdrager verklaart daarmee het verschil tussen de conclusies die Ficq trok naar aanleiding van het functioneren van de OM-leden en de conclusies van de enquêtecommissie opsporingsmethoden en de rijksrecherche.

Ficq concludeerde dat het Haarlemse OM slechts verantwoordelijk was voor de CID Kennemerland voor zover het werk van die CID werd verricht binnen het arrondissement Haarlem. De CID werkte destijds voor het IRT Noord-Holland/Utrecht en voor het arrondissement Amsterdam.

In de Kamer ontstond enkele weken geleden beroering nadat via deze krant was uitgelekt dat Ficq in zijn vertrouwelijke rapportages had geconcludeerd dat de Haarlemse hoofdofficier De Beaufort en officier Van der Veen hadden gezorgd voor goede begeleiding van de criminele-inlichtingendienst van de politie. Volgens de niet openbaar gemaakte rapportages die Ficq in opdracht van Sorgdrager maakte was er sprake van “bovengemiddeld zorgvuldige begeleiding van de CID'en in hun arrondissement”.

Sorgdrager nam de conclusies over. Die stonden echter haaks op de conclusies van de commissie-Van Traa en de rijksrecherche. De Kamer eiste dat Sorgdrager de rapportages van Ficq openbaar maakte. Ficq vond dat De Beaufort zorgvuldig leiding gaf. Hij stelde De Beaufort niet verantwoordelijk voor IRT-officier Van der Veen, voor zover deze handelde in een onderzoek waarbij het “zwaartepunt” in Amsterdam lag. Van der Veen had volgens Ficq wel de toelaatbaarheid van Delta-methode - het laten verdwijnen van drugs ten behoeve van het onderzoek naar een criminele organisatie - moeten laten toetsen door de procureur-generaal of één van de hoofdofficieren. Sorgdrager beschouwt “de publieke vaststelling van de onjuistheid” van zijn handelen als een “proportionele reactie”.