Reiger

Mijn grootmoeder had opvallend lange benen, wat haar als kind de bijnaam 'Reiger' had gegeven, felle blauwe ogen en weelderig zwart haar, dat met een weerbarstige kuif boven haar voorhoofd strak achterover was gekamd. Zij was vrij vroeg weduwe geworden en ik heb haar nooit anders dan in het zwart gezien, met dikke zwarte kousen die zij eigenhandig van omvangrijke knotten sajet breide en zomer en winter door droeg.

In het waterrijke gebied rond de plassen van Hillegersberg geboren, werd zij er als wees van vier jaar (haar vader verdronk tijdens een ijsperiode in een wak en haar moeder stierf kort daarop aan tbc) opgenomen in het gezin van kinderloze bloedverwanten - naïeve boerenmensen, heb ik begrepen, die zich weinig om haar bekommerden en hun uitgestrekte tuinderijen en kassen met hofstee en al kwijtraakten toen een neef, voor wie ze in hun onwetendheid borg hadden gestaan, failliet ging.

Met haar pleegouders kwam mijn grootmoeder in een van de daglonershuisjes terecht die haar vader zijn dochters had nagelaten - haar twee zusjes werden in verschillende gezinnen opgevoed - en terwijl de onfortuinlijke borgsteller andermans grond ging bewerken om aan de kost te komen, sleet mijn grootmoeder, nauwelijks van school, haar jongemeisjesjaren op een naaiatelier, waar zij tijdens de Frans-Duitse oorlog de jutezakken voor het leger van Napoleon III nog heeft helpen vervaardigen. Toen ze op het ijs van de Bergse Plassen een slagersknecht leerde kennen - dankzij haar lange benen schaatste ze als de beste - trouwden ze onmiddellijk en begonnen een vleeshouwerij in Rotterdam, waar zij in de primitieve woonruimte achter de winkel vijf dochters baarde.

De bescheiden etage in de Zwartjanstraat waar zij na de dood van haar man met haar twee jongste dochters heen trok werd mijn tweede tehuis, daar ik er vrijwel vanaf mijn geboorte werd ondergebracht wanneer mijn ouders ergens in het land een weekcontract voor een bioscoop of variététheater hadden, of uit een afgelegen gehucht de laatste trein niet konden halen.

De wereld bij mijn grootmoeder bestond hoofdzakelijk uit een stoel bij de vensterbank met het varentje - zelf zat zij in een pluche crapaudje aan het andere raam tegenover mij - waarop ik werd verondersteld te blijven zitten, daar de kleine tweekamerwoning, waar de stilte slechts werd verbroken door het getik van haar breinaalden en ik 's nachts in de bedstee die zij met een van haar dochters deelde dwars onder de beddeplank aan het voeteneind sliep, zich niet leende voor buitensporige activiteiten.

Als enige afleiding had ik het uitzicht op de rij huizen en winkels aan de overkant, waarvan het op een na laatste perceel met het gietijzeren balkonnetje op de tweede verdieping het toneel van iets vreselijks was geweest. Want altijd als ik ernaar keek, moest ik aan de eigenaar van de herenmodezaak eronder denken - een kleine man met een donkere bril, wiens vijftienjarige zoon eens schreeuwend en huilend uit de winkel naar buiten was gestormd en verdwaasd op het trottoir was blijven staan roepen dat zijn vader zich had opgehangen. Er waren drommen mensen toegestroomd en er had politie te paard aan te pas moeten komen om ruimte te maken voor een ziekenauto, en 's avonds, toen haar dochters van hun werk thuiskwamen, zei mijn grootmoeder dat het haar niets verbaasde, omdat de arme man bijna blind was en het blijkbaar niet had kunnen verkroppen dat zijn knappe, veel jongere vrouw allang een plaatsvervanger had aangesteld, die het bedrijf opnieuw tot bloei had gebracht.

Behalve met deze enerverende gebeurtenis maakte ik op de stoel bij het raam kennis met het bloedstollende verhaal van de ramp met de Titanic, die mijn grootmoeder zich nog als de dag van gisteren herinnerde. Op haar eigen manier beschreef ze het trotse zeekasteel, dat de mensen in hun ijdele hoogmoed onvergankelijk hadden genoemd, maar dat desondanks door een ijsberg die als een reusachtig wit spook uit de nachtelijke oceaan was opgedoemd werd opengereten. In de vorstelijke balzaal, waar de scheepsofficieren en de schatrijke passagiers - de meesten waren miljonairs - met dames in schitterende avondtoiletten onbekommerd feestvierden en de champagne rijkelijk vloeide, had niemand iets gemerkt, tot het zeewater opeens de dansvloer overspoelde en iedereen in paniek naar het bovendek vluchtte. Daar bleek zich de voltallige scheepskapel te hebben verzameld om met de dood voor ogen, te midden van radeloze mannen, vrouwen en kinderen die om een plaats in een reddingboot vochten (de berooide landverhuizers benedendeks hadden geen schijn van kans het er levend af te brengen) en die door de kapitein met getrokken revolver vergeefs tot kalmte werden gemaand, 'Nader, mijn God, tot U' te gaan spelen.

Zodra mijn grootmoeder deze passage had bereikt, liet zij de naalden met de halfgevorderde kous in haar schoot zakken en hief met vaste stem het gezang aan. Ofschoon ik het traumatische relaas reeds ontelbare malen had gehoord, voelde ik met de opkomende tranen de koude rillingen over mijn rug lopen en nam ik me elke keer weer voor later nooit een voet op een schip te zetten en me nooit aan de gevaren van een zeereis bloot te stellen.

Dat heb ik ook nooit gedaan. Wel heb ik, wanneer ik in Rotterdam was, dikwijls op mijn oude zitplaats, met uitzicht op het rijtje winkels aan de overkant, tegenover mijn grootmoeder gezeten. Zij is er zevenennegentig geworden en heeft in al die jaren slechts driemaal de stad verlaten: twee keer om haar dochter en kleinkinderen in Zwolle op te zoeken en één keer om de begrafenis van koning Willem III in Den Haag bij te wonen. Een van haar dochters is nooit getrouwd en altijd bij haar gebleven, en toen zij voor het eerst in een ziekenhuis moest worden opgenomen, is ze er onverwachts en alleen gestorven. (“Doe de groeten aan mijn familie”, moet ze tegen de verpleegster hebben gezegd.) Omdat ik haar nog één keer wilde zien, werd er een kist uit een witbetegelde muur getrokken, waarin iets onwezenlijk kleins en nietigs lag, dat ik niet herkende. Terwijl ik naar een vertrouwde trek zocht en naar het gezicht keek met de scherp uitstekende neus en de weerbarstige grijze kuif boven het voorhoofd, doemde het landschap van plassen en sloten voor me op waar ze vandaan kwam en wist ik plotseling waaraan ze mij deed denken - aan een reiger.