Politieke justitie

ONDER HET MOTTO “geen verantwoordelijkheid zonder bevoegdheid” claimt minister Sorgdrager (Justitie) volledige zeggenschap over het openbaar ministerie (OM). Deze betreft niet alleen de hoofdlijnen van het vervolgingsbeleid maar strekt zich uit tot de individuele strafzaak, tot en met de concrete eis toe. De Tweede Kamer ging onlangs maar al te graag akkoord met deze verruiming van haar schootsveld. Het ziet er naar uit dat politiek Den Haag toch iets te gretig is geweest. In een brief uit hun conferentieoord te Domburg heeft de leiding van het openbaar ministerie alsnog protest aangetekend.

Er is alle reden voor een heroverweging, ondanks de verzekering van Sorgdrager dat zij in individuele gevallen een terughoudend gebruik van haar bevoegdheden zal maken. Deze verzekering behelst echter geen erkenning van de zelfstandige, 'magistratelijke' rol van de officier van justitie maar is slechts een belofte van politieke zelfbeperking. Daarop valt om redenen van politieke opportuniteit altijd een uitzondering te maken. De minister zelf windt er geen doekjes om: “Ik ben van mening dat er helemaal niet onafhankelijk kan worden opgetreden door een officier van justitie.”

Heeft het openbaar ministerie er zelf niet een beetje om gevraagd? In de parlementaire enquête-Van Traa over de bijzondere opsporingsmethoden bleek dat dit magistratelijke keurkorps schrikbarend is tekortgeschoten. Dat was echter niet zozeer een teken van een gebrek aan politieke sturing maar juist een symptoom van politieke beïnvloedbaarheid. In zijn evaluatierapport over de IRT-affaire legt de procureur-generaal Ficq veel nadruk op het politieke klimaat van die tijd en de publicitaire druk. Er werd gevraagd om resultaten ('scoren') terwijl, zoals Ficq het uidrukt, iedere aansporing ontbrak tot grote behoedzaamheid bij de inzet van middelen waarvoor de juridische grondslag niet rechtstreeks in de wet was te vinden.

DE STAANDE MAGISTRATUUR had zelf ook wel wat meer ruggegraat kunnen tonen in deze affaire. Maar het is in elk geval een weinig geruststellend vooruitzicht er een politiek schepje bovenop te gooien, zoals Sorgdrager eigenlijk voorstelt. In het dagblad Trouw opperde de rechter Jörg onlangs dat het de officier in de toekomst zelfs verboden zou kunnen worden om aan bepaalde getuigen vragen te stellen waarvan de beantwoording de politiek onwelgevallig zou zijn.

De tegenwerping dat het heus niet zo'n vaart zal lopen, is onvoldoende. De discussie over de politieke zeggenschap fungeert ongetwijfeld mede als bliksemafleider voor spanning en onvrede als gevolg van de centraal gedicteerde stroomlijning van het openbaar ministerie die aan de gang is. De mate waarin het OM moet luisteren naar de minister verdient echter ook op eigen merites volle aandacht. Op het spel staat niet minder dan de geloofwaardigheid van de staande magistratuur in de rechtszaal.