Het centrum is pas af als er wordt gesloopt

Het virtuele voortbestaan van de Rotterdamse wederopbouw is verzekerd. Komend weekeind presenteert het comité wederopbouw het eindresultaat van drie jaar nijver inventariseren: een CD-ROM met alle wederopbouwarchitectuur in de binnenstad. Met de muis kan men de gebouwen uit de periode 1945-1965 aanklikken, oude foto's en plattegronden bekijken of gegevens over de bouw en biografieën van de belangrijkste architecten lezen.

De CD-ROM bevat ook een rubriek 'gesloopte wederopbouw', al is die niet compleet. In februari werd de inventarisatie van de wederopbouw afgesloten; nadien is onder meer het V&D-gebouw aan het Beursplein getransformeerd tot een postmoderne winkelgalerie met spiegelgevel en frivole puntmuts. Ergens moet je een streep zetten, aldus architectuurhistoricus Wijnand Galema. Want wederopbouwarchitectuur verdwijnt snel en geruisloos uit het stadsbeeld en, zo blijkt bij de rubriek 'gesloopt', ook uit het geheugen. Zo trof ik er het 'Bijkorama', een gebouwtje naast de Bijenkorf dat zo'n twee jaar geleden verdween. Honderden malen liep ik er langs, maar ik was al vergeten dat het ooit heeft bestaan.

De liefde voor de wederopbouw gaat in Rotterdam niet diep. Trots over het tempo en de vastberadenheid van de wederopbouw is een standaard-ingrediënt van het Rottterdamse zelfbeeld, maar in het resultaat voelt niemand zich echt thuis. Rotterdammers gedragen zich vaak als kopers van een rammelende auto of een lekkend huis. Onderling moppert men, maar als de buitenwacht er iets over zegt, verdedigt men de aankoop hartstochtelijk. Al is het maar om zichzelf gerust te stellen. Architecten en stedebouwkundigen blijven de doctrinaire ernst en het machismo van de wederopbouwers bewonderen, misschien uit heimwee naar de grootse en bezielende gedachte die bij de huidige generatie ontbreekt. Maar elders overheerst nog altijd het idee dat de bouwers van de jaren vijftig en zestig een grijze en koude stad van blokkendozen en windtunnels nalieten.

Halverwege de jaren zestig eindigde de wederopbouw; daarna begonnen de herstelwerkzaamheden. In de jaren zeventig met 'nieuwe truttigheid'; knusse apenrotsen of quasi-historische wijkjes moesten wat leven in de stad blazen. Daarop volgde een rehabilitatie van de wederopbouw in de jaren tachtig, toen 'grootschalig' weer mocht en wolkenkrabbertjes niet langer meer als 'kapitalistische erecties' golden. Het eindresultaat is een binnenstad van scherven en fragmenten.

Voor het comité wederopbouw rest nog veel educatieve arbeid. De CD-ROM is een eerste stap, binnenkort zal een andere werkgroep de gemeente adviseren op welke gronden iets de moeite van het behouden waard is. Volgens Wijnand Galema wil het comité niet de reputatie krijgen een club te zijn die de stad het liefst onder een luchtdichte kaasstolp zet. Alleen als iets echt de moeite waard is grijpt men in.

Toch is het ironisch dat de dynamiek die de wederopbouwers zelf in het leven riepen - niet achterom kijken, in volle vaart naar de toekomst - zich zo snel tegen hun eigen scheppingen heeft gekeerd. Het comité wederopbouw moet nog een lange strijd voeren voordat architectuur-historische argumenten enig gewicht in de schaal leggen tegenover de harde eisen van de economie. “Het centrum raakt pas af als we moeten slopen”, zoals de directeur van de dienst stedebouw en volkshuisvesting onlangs opgewekt zei.