Canadese leger op zoek naar verloren reputatie

MONTREAL, 28 OKT. Elke donderdag gebruikt John Hardy, een gepensioneerde luitenant van het Canadese leger, in Ottawa de lunch met een paar vrienden uit de militaire wereld. Canadese militairen plegen ook buiten hun basis trots in uniform te lopen.

Maar het valt Hardy op dat zijn collega-militairen tegenwoordig liever niet langer in vol ornaat op straat worden gezien.

“Ze zijn het beu lastig gevallen te worden,” zegt Hardy, die Nederland hielp bevrijden. “Als ze bijvoorbeeld voor een rood licht stonden, kregen ze opmerkingen als 'daar gaan onze belastingcenten'.”

Een marine-officier uit de Canadese hoofdstad heeft soortgelijke ervaringen. “Als ik in uniform door het centrum loop, word ik aangestaard,” zegt de militair, die anoniem wil blijven. “Mijn echtgenote zit in de luchtmacht en we merken allebei dat de trotse blik die je vroeger kreeg, er niet meer is.” Het leger in Canada is bij de bevolking uit de gunst geraakt wegens een reeks schandalen over Canadezen die deelnamen aan militaire operaties in het buitenland. Recente onthullingen over misdragingen van Canadese soldaten tijdens vredesmissies in Somalië en Bosnië en tijdens de Golfoorlog hebben het beeld verwoest dat Canadezen lange tijd hadden van hun militairen als nobele redders in nood in verre oorden.

Zo brachten foto's van Canadese soldaten die tijdens de VN-missie in Somalië in 1993 een zestienjarige Somaliër doodmartelden een nationale schok teweeg. Zeker twee andere Somalische burgers, zo werd bekend, vonden eveneens de dood in het Canadese kamp.

Deze zomer werd bovendien eenonderzoek ingesteld naar 34 Canadese militairen die worden verdacht van wangedrag rond een psychiatrische kliniek in Bosnië. Tussen oktober 1993 en april 1994 zouden zij zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel misbruik van verpleegsters, aan overmatig alcoholgebruik, aan nalatigheid door een zwaar gewonde Bosnische Serviër niet te helpen en aan de verkoop van een machinegeweer op de zwarte markt.

Deze maand doken foto's op van een groepje Canadezen, poserend bij het lijk van een Iraakse soldaat aan het einde van de Golfoorlog. En deze week nog raakten enkele Canadese militairen in opspraak die, op verlof van hun basis in Bosnië, in de Hongaarse hoofdstad Boedapest werden gearresteerd nadat ze een tweetal Hongaren zouden hebben afgeranseld.

“Deze kwesties hebben het beeld dat de bevolking heeft van het legervolkomen veranderd,” zegt David Bercuson, militair historicus van de Universiteit van Calgary. “Bij de Canadese militair stelde men zich een soldaat voor op een wit paard, een eeuwige goeddoener, rechtschapen, met edele motieven en goede manieren. Van dat beeld is weinig over.”

Niet alleen de lage rangen zijn in ongenade gevallen. Deze maand trad zowel Jean Boyle, de hoogste generaal van het leger, als David Collenette, de minister van Defensie, af, na maandenlange kritiek op hun gebrek aan daadkracht bij het keren van het tij van de militaire crisis.

Boyle lag vooral onder vuur sinds hij in augustus, tijdens zijn getuigenis voor een slepend openbaar onderzoek naar de incidenten in Somalië, alle verantwoordelijkheid ontweek door een vermeend plan om de affaire in de doofpot te stoppen.

De stroom negatieve publiciteit met betrekking tot het Canadese defensie-apparaat heeft een smet geworpen op wat Ian Inrig van de grootste veteranenorganisatie in Canada noemt “de trots die Canadezen traditioneel koesteren voor hun leger.”

Deze trots is grotendeels gebaseerd op militaire prestaties uit de Tweede Wereldoorlog, zoals de bevrijding van Nederland en deelname aan de landing in Normandië - prestaties die vooral werden geleverd door tijdelijk gerecruteerde burgers.

De professionele militaire traditie in Canada bestaat, bij afwezigheid van oorlogen of militaire interventies waarin het land zelf partij was, bijna uitsluitend uit deelname aan VN-vredesoperaties. Canadezen gaan er prat op dat hun leger troepen leverde aan alle VN-missies sinds 1956.

Die traditie van deelname aan vredesmissies heeft, volgens Bercuson, bij de Canadese bevolking een verkeerd beeld geschapen van waar het leger eigenlijk voor dient.

Zoals onder meer bleek in Bosnië en tijdens de Golfoorlog, zien Canadezen hun militairen liever niet schieten. “Canadezen zijn oprecht gaan geloven dat hun militairen geen oorlogvoerders maar vredestichters zijn,” zegt Bercuson.

Nu dat imago zijn glans heeft verloren, neemt de publieke druk op Ottawa toe om te bezuinigen op de tien miljard dollar die Canada jaarlijks uitgeeft aan defensie.

Met dat bedrag, het grootste op de begroting, onderhoudt Canada een leger dat weliswaar voortdurend gevechtsklaar is, maar dat zijn bestaansrecht ontleent aan humanitaire hulp en dat sinds het einde van de Koude Oorlog nauwelijks een binnenlandse functie heeft.

Inrig betreurt de vijandige publieke opinie, die hij beschouwt als een oneerbiedige reactie op de misstappen van een paar “rotte appels” onder de Canadese troepen.

“Onze militairen gaan vrijwillig voor zes maanden naar oorlogsgebieden en stellen zich bloot aan schokkende ervaringen,” zegt hij. “Het is triest dat ze tegenwoordig bij terugkomst door de Canadese media en bevolking worden uitgemaakt voor waardeloze zielen.”