Biënnale Gelderland 1996 biedt voldoende talent

Tentoonstelling: 'Het Grote Verlangen', Biënnale Gelderland 1996. T/m 24/11 in Museum voor Moderne Kunst Arnhem, Nijmeegs Museum de Commanderie van Sint Jan, Van Reekum Museum in Apeldoorn, di t/m za 10-17u, zo 13-17u, en het Museum Henriëtte Polak in Zutphen, di t/m vr 11-17u, za en zo 13.30-17u. Catalogus: ƒ 22,50.

In Arnhem slaat een Mercedes om de haverklap met haar portieren, in Apeldoorn ligt een naakt begroeid met elfenbankjes, in Nijmegen dansen duivels en heksen in vlammende kleuren en in Zutphen wordt een aardappel net zo lang geschild tot er niets meer overblijft. Van de hak op de tak, de kunstwerken van de zevenentwintig, meest jonge deelnemers aan de derde Biënnale Gelderland liggen letterlijk en figuurlijk ver uit elkaar.

Vier musea tonen elk een deel van deze door het GBK (Gemeenschap Beeldende Kunstenaars) georganiseerde en door Karin Feenstra (recensent van Het Financieele Dagblad) samengestelde tentoonstelling. Maar in de catalogus komt alles samen onder de titel 'Het Grote Verlangen'. De titel is misschien wat uit de tijd, de vormgeving is helemaal 'up to date' met felgekleurde, glanzende papiersoorten aan elkaar.

Een groot verlangen, naar wat? De herrieschoppende auto van Jaap Kroneman, het fotorealistisch geschilderde naakt van Anya Janssen, de surrealistisch getekende nachtmerrie-scènes van Ada Dispa en het aardappelschillen op 16 mm film vastgelegd door Jeroen Eisinga; wat de kunstwerken volgens Feenstra bindt, is een verlangen naar 'gisteren', naar 'vrijheid, naar het puur menselijke, naar het gevoelsleven, naar een eigen bestaansgrond en soms zelfs naar grote kunst'. Afstand moet worden genomen van de dogmatiek en rationaliteit van het modernisme en ook de dominerende generatie van de jaren zestig en zeventig krijgt er van langs. Dat bijvoorbeeld de filmloops van Eisinga, die zeker het bekijken waard zijn, sterk doen denken aan de korte films van Ger van Elk en Bas Jan Ader uit de jaren zeventig, laat Feenstra buiten beschouwing.

Kunstenaars van vandaag sluiten juist aan bij de kunst uit de jaren zestig en zeventig. Enkele aan de tentoonstelling deelnemende kunstenaars, zoals Hans Eykelboom (1949), zijn zelfs van de generatie waartegen Feenstra ageert. Zijn fotografische dagboeken, die allerminst een gedateerde indruk maken en die hij de laatste jaren ook regelmatig exposeert, passen in de lijn van zijn oeuvre en zijn een logisch vervolg op zijn sociaal geëngageerde conceptuele fotowerken van jaren terug.

Soms is het beter om een catalogus en de bedoelingen van een samensteller te laten voor wat ze zijn. Dan missen we op de Gelderse Biënnale gewoon kunstenaars als Klaas Gubbels of representanten van een jongere generatie zoals Mark Manders en Maria Roosen.

Enkele omissies daargelaten maakt de tentoonstelling bij vlagen een sterke indruk. Het zijn vooral de tamelijk traditionele schilders en tekenaars van een jonge generatie die het winnen van de stuntkunst en van de moderne mediakunst. De schilderijen van Marcel Doorduin (1969) zitten schilderkunstig knap en origineel in elkaar. Een afgelegen café-biljart bij een steenfabriek aan de Rijn verwerkte hij tot een vervreemdende voorstelling, een bijna onmogelijke kruising van een Edward Hopper met een Gerhard Richter.

Ook de grote, knap uitgewerkte potloodtekeningen van Mynke Buskens (1953), waarin gewelven, bruggen en water heel droogjes en overtuigend worden neergezet, zijn vrij van een opdringerige inhoud. Net zo zeer van louter beeldende kracht zijn de geschilderde en gefotografeerde zelfportretten van Wouter van Riessen (1967). Doeken en foto's, naast elkaar gepresenteerd, laten de maker zien in huiselijke omstandigheden, waar hijzelf optreedt als een soort mechanische mensfiguur. Er is kortom voldoende talent voor de Gelderse musea om de komende jaren goede sier mee te maken.