Wolfensohn ontleent ideeën aan armen

DEN HAAG, 26 OKT. “Straatarme mensen zitten barstensvol optimisme en creativiteit. Ze werken aan lotsverbetering, ze denken aan de toekomst van hun kinderen.” De president van de Wereldbank houdt niet van cliché's over de armen. “Hun waardensysteem is fantastisch, overal. Mensen in krottenwijken hebben een geweldige energie, die voortkomt uit de noodzaak alle beschikbare middelen te gebruiken om te overleven.”

Achttien maanden staat James D. Wolfensohn (62), een tot Amerikaan genaturaliseerde Australiër, aan het hoofd van de grootste ontwikkelingsorganisatie ter wereld, de Wereldbank. De flamboyante ex-bankier uit New York, multimiljonair, vriend van de Clintons en maecenas, heeft samen met zijn vrouw sinds zijn aantreden 42 ontwikkelingslanden bezocht.

Geen enkele plaats gaat hij uit de weg. “Als ik de effectiviteit van ontwikkelingsprojecten wil beoordelen, luister ik niet naar onze economen, maar naar de mensen om wie het gaat. Dat geeft een veel beter inzicht. Ik heb geleerd te kijken naar het effect dat onze projecten hebben op mensen.” Wolfensohn besteedt zeventig procent van zijn tijd “in het veld”. Hij is net in de hoerenbuurten van Bombay, de sloppenwijken langs de spoorlijnen en de boerendorpen van India geweest. “De beelden die me van elke reis bijblijven, zijn niet die van de ontmoetingen met de ministers, maar die van de mensen in de projecten.”

Wolfensohn, die deze week voor een lezing in Nederland was, zegt veel te leren van de contacten met het volk. Hij bekent het idee van schuldverlichting voor de armste landen te hebben opgevat op zijn allereerste reis naar Afrika na een gesprek met een mullah, een islamitische dorpsleider, in Ivoorkust. “Die man in zijn witte kaftan zei tegen me: 'Mr. President, ik weet niets van geld, maar ik weet wel dat mijn volgelingen armer worden. En ik snap niet wat jullie doen. Jullie stoppen geld in mijn ene zak en jullie halen een groter bedrag uit mijn andere zak. Is er soms iets wat ik niet begrijp?' Terug in Washington heb ik het schuldenprobleem aan de orde gesteld”, vertelt Wolfensohn. “Ik zat nog maar tien dagen bij de Bank en ik had nog geen idee hoe gevoelig dat onderwerp lag.”

Vorige maand op de jaarvergadering van de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds (IMF) werd een doorbraak bereikt voor schuldverlichting voor de armste landen. De Wereldbank stelt twee miljard dollar beschikbaar, het IMF en de donorlanden dragen bij aan het pakket dat 5,6 tot 7,7 miljard dollar gaat kosten. Tegen het einde van het jaar, verwacht Wolfensohn, zullen met de eerste landen al afspraken kunnen worden gemaakt.

Jim Wolfensohn is charmant, anecdotisch, communicatief, ijdel en temperamentvol. Hij heeft het ego van een operazanger. En hij is de missionaris die de boodschap van de Wereldbank uitdraagt naar een zo breed mogelijk publiek. Vaak tegen een stroom van beschuldigingen, verdachtmakingen en argwaan in. In India kreeg hij vorige week van een medewerkster van een ontwikkelingsorganisatie te horen: “We willen niet dat de Wereldbank in India actief is. Donder op.”

Eergisteren tijdens een lezing die het midden hield tussen een gastcollege en prediking op het Institute of Social Studies (ISS) in Den Haag, een postdoctorale opleiding voor studenten uit ontwikkelingslanden, kreeg Wolfensohn te maken met het onbegrip van kritische studenten en docenten.

Nadat hij geduldig een aantal misvattingen over het beleid van de Wereldbank had ontzenuwd, zei hij tot slot: “Waarom denkt U dat mijn collega's en ik bij de Wereldbank werken en bereid zijn tot confrontaties met een agressief publiek dat je inpepert dat we de mensen armer maken en het milieu vernietigen? Het is niet erg eerlijk om ons de schuld te geven van alle verschrikkelijke toestanden in Afrika. We hebben enorme fouten gemaakt, maar wij zijn niet verantwoordelijk voor álle misstanden in de wereld. We kijkenvoortdurend kritisch naar onszelf en proberen de wereld een beetje beter te maken. Schrijf de Wereldbank niet af als een rechtse establishment-groep.”

Met zijn overtuigingskracht weet hij veel critici voor zich te winnen. Ook bij het ISS kreeg hij de nodige handen op elkaar. Wolfensohn beklaagt zich wel dat tegenstanders van de Wereldbank vaak zeer slecht geïnformeerd zijn.

Tegenwerking ondervindt Wolfensohn niet alleen buiten de bank, maar ook binnen het instituut dat met ruim 6.500 stafmedewerkers in imposante gebouwen vlak bij het Witte Huis in Washington een gevoel van macht en zelfgenoegzaamheid uitstraalt.

Pagina 16: 'Als een project verziekt is, erken ik dat openlijk'

Net als zijn voorgangers, Barber Connable en Lewis Preston, kondigde Wolfensohn een reorganisatie en kostenbesparing van de staf aan. En Wolfensohn lijkt zowaar te slagen waar Connable en Preston faalden. “Mijn eerste taak was om er voor te zorgen dat de staf werkelijk overtuigd is dat de Wereldbank anders moet zijn. De reorganisatie is geen bijprodukt, maar essentieel om het beeld van de Wereldbank te herstellen.”

Als bankier had Wolfensohn - hij was de oprichter-eigenaar van de zakenbank James D. Wolfensohn Inc. in New York - met reorganisaties in het bedrijfsleven te doen gehad. “Ik was adviseur van twintig van de grootste bedrijven ter wereld en ik was betrokken bij ontelbare reorganisaties. Ik had gezien wat er gebeurde, maar ik had het nog nooit zelf gedaan. Ik heb inmiddels geleerd dat het heel wat moeilijker is om zelf te reorganiseren dan om advies te geven.” Bij de Wereldbank heeft hij gemerkt wat het belang van een publieke instelling is. “Als ik met regeringen onderhandel, spreek ik met het gezag van 180 lidstaten achter me.”

Een half jaar geleden vreesde hij dat de hervormingen zouden mislukken. Wolfensohn klaagde in de Financial Times over “een glazen muur” van onwil en onbegrip in de bank waar hij niet doorheen kwam. “Die muur is nu verdwenen. Tot drie maanden geleden dacht ik nog dat we zouden verliezen. Maar we hebben de bocht gemaakt en ik denk dat we bezig zijn te winnen.” Inmiddels is het aantal beslislagen voor projecten van vijf naar twee teruggebracht. Wolfensohn: “En niet langer is 'afdeling B2', maar meneer of mevrouw Johnson voor een project verantwoordelijk.”

De Wereldbank moet zich volgens Wolfensohn op vijf thema's profileren. De bank is niet oppermachtig of zaligmakend, maar moet zich opstellen als “partner” in het ontwikkelingsproces. Het succes van de Wereldbank moet niet langer gemeten worden aan de hand van bureaucratische normen van volume, maar op grond van effectiviteit van de projecten. Voorts moet het oordeel over 'ontwikkeling' herzien worden. Ten vierde moet de Wereldbank veel nauwer samenwerken met de particuliere sector. En ten slotte moet de Wereldbank haar deskundigheid beschikbaar stellen en zich omvormen tot een “elektronische kennisbank”.

Effectiviteit van hulp is moeilijk te meten. Dat is een handicap voor alle ontwikkelingsorganisaties, ook voor de Wereldbank. In India bezocht Wolfensohn een project van vrouwen die geholpen waren om de opbrengst van de landbouw en visvangst te vergroten. En met succes. Maar, vertelden de vrouwen hem, ze hadden geen mogelijkheid om de produkten naar de markt te brengen. “Hun marketing-capaciteit was beperkt tot het bereik van een fiets”, zegt Wolfensohn. Zijn conclusie was dat het weinig zin heeft het succes van het project af te meten aan de volumestijging van de oogst. “Misschien hebben die vrouwen een vrachtauto nodig, maar het begrip vrachtauto is nog buiten hun begripsvermogen. Dat had iedereen natuurlijk kunnen weten. Maar het toont aan dat we veel breder moeten denken.”

Bij een eerder bezoek aan Vietnam merkte hij dat de schoolboeken die de Wereldbank beschikbaar stelde niet werden gebruikt. “Met de komst van de boeken raakte de leraar zijn enige voorsprong op zijn leerlingen kwijt en dus werden die in de hoek gegooid. Je moet in een onderwijsproject dus ook meteen de leraren trainen.”

Als de beschikbaarheid van elektronische kennis ter sprake komt, wordt Wolfensohn lyrisch. De Wereldbank is bezig om in alle veldkantoren satellietverbindingen op te zetten, zodat het mogelijk wordt om via Internet (http://www.worldbank.org) de deskundigheid en documentatie van de Wereldbank te raadplegen. “Het is al fantastisch, maar binnen twee jaar wordt het echt mind blowing.”

Niet alleen de stafdocumenten van de Wereldbank zijn beschikbaar, maar ook informatie over landen. “Als je bijvoorbeeld geïnteresseerd bent in investeren in Ghana, kun je de Ghanese wetgeving voor buitenlandse investeringen, de naam en een afbeelding van de minister van handel en een kaart van de hoofdstad plus het adres van het ministerie oproepen”, vertelt Wolfensohn.

Mede dank zij deze elektronische openheid is de Wereldbank bezig uit haar ivoren toren van arrogantie te komen. De Bank laat kritiek toe en maakt er gebruik van. Een van de eerste maatregelen van Wolfensohn was de stopzetting van de Wereldbanksteun aan de bouw van een omstreden stuwdam in India, de Narmada-dam. “Het was verkeerd en we zijn eruit gestapt”, zegt hij. Als bij andere projecten blijkt “dat we de zaak verziekt hebben, zal ik dat publiekelijk erkennen”.

Vaak helpt kritiek van Non Gouvernementele Organsiaties (NGO's) om projekten te verbeteren, zoals in het Braziliaanse Amazone-gebied. “Het was duidelijk dat we het verkeerd deden, we beschermden het milieu niet en we hielpen de inheemse bevolking niet.” Het programma werd aangepast, de NGO's werden bij het project betrokken. “Nu is het 'wij' tegen de regering van de deelstaat Amazonas”, zegt Wolfensohn ingenomen.

Op de jaarvergadering begin deze maand stelde Wolfensohn het onderwerp corruptie voor het eerst nadrukkelijk aan de kaak. Zijn betoog kreeg nog meer respons dan hij had gehoopt. “Ik zeg mensen dat we onmiddellijk een project zullen stoppen als er sprake is van corruptie. Daar aarzel ik geen seconde over. Het enige waar wij controle over hebben zijn Wereldbankprojecten. Daarnaast kunnen we landen helpen om corruptie uit de samenleving te bannen, bijvoorbeeld door te helpen bij de verbetering van het openbaar bestuur en justitie.” Het bleek volgens Wolfensohn het juiste moment om deze gevoelige kwestie aan de orde te stellen. “Nog afgezien van het morele aspect is corruptie economisch gezien de meest verstorende factor in ontwikkeling. Dat is nu algemeen geaccepteerd.” Hij spreekt van “fantastische” reacties uit ontwikkelingslanden.

Bestrijding van corrumperende mechanismes in de economie, zoals monopolies en kunstmatige prijzen, zijn ook onderdeel van 'structureel aanpassingsbeleid'. Keer op keer krijgt Wolfensohn het verwijt dat structurele aanpassing (kort samengevat: behoorlijk macro-economisch beleid, stabilisatie van de economie en de introductie van marktprikkels) alleen maar de armoede vergroot. Wolfensohn is niet bereid om structurele aanpassingen ter discussie te stellen, wel de praktische uitwerking ervan per land. Tegen het gehoor van het ISS in Den Haag zei hij: “De grootste vijand van de armen is het ontbreken van een behoorlijk economisch kader. Slecht economisch beleid is de beste manier om de armen te treffen. Chaos is de ergste vijand van de armen.”